Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2249

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-05-2008
Datum publicatie
22-05-2008
Zaaknummer
08/1762 WWB, 08/ 1814 WWB-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening, kortsluiting. Beëindiging Bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Niet daadwerkelijk woonachtig op het opgegeven adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1762 WWB+

08/ 1814 WWB-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van:

[Verzoeker] (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

[Verzoeker]

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 maart 2008, 08/560 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Verzoeker]

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ‘s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. M. de Boorder, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld en tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2008. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Gilsing, kantoorgenoot van mr. De Boorder. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Boogaards, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:86 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker ontving bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Hij woonde volgens zijn opgave op het adres [adres]. Naar aanleiding van het laat reageren door verzoeker op een drietal ten onrechte gedane betalingen van in totaal € 1505,64 vanuit zijn uitkering aan de SVB (beslaglegger), het niet verschijnen op een schriftelijke uitnodiging bij brief van 11 december 2007 voor een gesprek op 18 december 2007 en het niet aantreffen van verzoeker bij twee onaangekondigde huisbezoeken op 21 december 2007 en 8 januari 2008 aan zijn woonadres, is verzoeker bij brief van 8 januari 2008 uitgenodigd voor een gesprek op 10 januari 2008. Verzoeker is op het afgesproken tijdstip verschenen en aansluitend is met zijn instemming een huisbezoek afgelegd. Naar aanleiding van de bevindingen van dat huisbezoek heeft het College bij besluit van 15 januari 2008 de bijstand met ingang van 10 januari 2008 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat verzoeker de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden waardoor niet kan worden vastgesteld of hij recht heeft op bijstand.

Verzoeker heeft tegen het besluit van 15 januari 2008 bezwaar gemaakt en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank.

Bij besluit van 25 februari 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 15 januari 2008 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank voor zover van belang het beroep tegen het besluit van 25 februari 2008 ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de intrekking van de bijstand met ingang van 10 januari 2008 niet beperkt is tot een bepaalde periode. Dit brengt volgens vaste rechtspraak van de Raad mee dat de beoordeling van de bestuursrechter zich in dit geval uitstrekt tot de periode van 10 januari 2008 tot en met 15 januari 2008.

Evenals de voorzieningenrechter van de rechtbank, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de beschikbare onderzoeksgegevens toereikend zijn voor de conclusie van het College dat verzoeker ten tijde van belang niet daadwerkelijk woonachtig was op het adres [adres]. De voorzieningenrechter acht voor dit oordeel de bevindingen van het huisbezoek, zoals neergelegd in het rapport van 10 januari 2008 en de verslagen van de nader afgelegde verklaringen van de medewerkers van het College die bij het huisbezoek aanwezig waren, doorslaggevend. Daaruit komt onder meer naar voren dat verzoeker tijdens het huisbezoek niets heeft (kunnen) laten zien wat van hem persoonlijk is zoals bijvoorbeeld zijn kleding, zijn toiletspullen of zijn administratie. Verzoeker heeft hiervoor ook naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen deugdelijke verklaring kunnen geven. De voorzieningenrechter gaat voorbij aan de grief, zoals ook de broer van verzoeker in zijn verklaring van 5 februari 2008 heeft aangegeven, dat er wel persoonlijke spullen van verzoeker in de woning aanwezig waren doch dat deze in verband met de verhuizing van zijn broer naar zijn woning waren ingepakt. De voorzieningenrechter vermag niet in te zien dat de verhuizing van de broer van verzoeker naar de woning van verzoeker het noodzakelijk maakt dat ook verzoeker al zijn persoonlijke pullen inpakt. Daarbij komt dat verzoeker tijdens het huisbezoek daarvan geen melding heeft gemaakt. Ook werden in de woning geen serviesgoed, pannen of etenswaren aangetroffen. De uitleg van verzoeker dat het serviesgoed en pannen in de kasten waren opgeborgen komt de voorzieningenrechter niet geloofwaardig voor, nu blijkens het verslag van het huisbezoek expliciet naar de aanwezigheid van serviesgoed en pannen is gevraagd en verzoeker deze niet kon tonen. In het licht van het vorenstaande gaat de voorzieningenrechter tevens voorbij aan de van de zijde van verzoeker in de loop van de procedure overlegde verklaringen van buren en de zoon van verzoeker, mede omdat deze te weinig concreet zijn en van één verklaring niet bekend is wie deze heeft afgelegd. Ook de foto’s die naar gesteld op de dag van het huisbezoek door verzoeker zijn gemaakt bieden onvoldoende concrete aanwijzingen voor zijn standpunt.

Door onjuiste informatie te verschaffen over zijn woonadres - een voor de verlening van bijstand essentieel gegeven - heeft verzoeker de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Evenals de voorzieningenrechter van de rechtbank is de voorzieningenrechter van oordeel dat als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of verzoeker ten tijde in geding recht had op bijstand.

Het College was derhalve bevoegd met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand vanaf 10 januari 2008 in te trekken. In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat het College bij afweging van de hierbij rechtstreeks betrokken belangen niet in redelijkheid tot intrekking van de bijstand heeft kunnen besluiten.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

Onder deze omstandigheden bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening geen grond, zodat het verzoek daartoe moet worden afgewezen.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

in de hoofdzaak:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;

op het verzoek om voorlopige voorziening:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2008.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

OA