Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2246

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2008
Datum publicatie
22-05-2008
Zaaknummer
06-2735 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. In hoger beroep alsnog afdoende arbeidskundige onderbouwing gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2735 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 7 april 2006, 05/2450 WAO (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld door mr. C.J.M. Ackermans, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geschil is op 4 april 2008 ter zitting aan de orde gesteld. Appellante noch het Uwv is verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 27 juli 2004 heeft het Uwv de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellante met ingang van 31 augustus 2004 ingetrokken. Bij besluit van 17 oktober 2005 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen voormeld besluit ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen, onder verwijzing naar de rapportages van verzekeringsarts N.E.J.C. L’Espoir en de bezwaarverzekeringsartsen H.J.M. Stammers en J. Jonker, dat zij geen aanleiding ziet om de medische beoordeling voor onjuist te houden en dat ten aanzien van appellante medische beperkingen kunnen worden aangenomen zoals weergegeven in de van toepassing zijnde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 28 mei 2004.

Verder is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsartsen in voldoende mate hebben onderbouwd waarom appellante op de datum in geding niet (meer) in aanmerking komt voor een urenreductie.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aan appellante voorgehouden functies aan te merken als arbeid die wat betreft de daarin voorkomende belasting in overeenstemming is met de voor appellante vastgestelde belastbaarheid. De rechtbank heeft in dit verband gewezen op de notities functiebelasting van 18 augustus 2005 alsmede de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige H.J.M. Saris van 19 augustus 2005.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen. Uit preventief oogpunt is een urenbeperking noodzakelijk omdat uitbreiding van het aantal uren onmiddellijk tot uitval zou leiden.

Appellante heeft ook bezwaren geuit tegen het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS); het feit dat een arbeidsdeskundige zonder nadere motivering een M in een G kan veranderen maakt de beoordeling weinig inzichtelijk, toetsbaar en verifieerbaar.

De Raad overweegt als volgt.

Evenals de rechtbank ziet de Raad in de gedingstukken onvoldoende aanknopingspunten om te komen tot de conclusie dat het door de (bezwaar)verzekeringsartsen ingestelde onderzoek onvolledig of onzorgvuldig is geweest, dan wel dat hun bevindingen tot onjuiste en/of niet naar behoren onderbouwde conclusies hebben geleid.

Verzekeringsarts L’Espoir heeft vastgesteld dat er geen sprake is van een aandoening waarbij appellante uit preventief en/of energetisch oogpunt slechts voor een beperkt aantal uren per week met arbeid belastbaar zou zijn.

Bezwaarverzekeringsarts Stammers heeft gewezen op de Standaard Verminderde Arbeidsduur en is tot de conclusie gekomen dat geen van de gevallen die volgens deze Standaard tot een duurbeperking mogen leiden aan de orde is. Ook in de brief van bedrijfsarts I. van Berlo van 8 oktober 2003 staan volgens Stammers geen inhoudelijke argumenten die pleiten voor een aandoening die een duurbeperking rechtvaardigt.

In beroep heeft bezwaarverzekeringsarts Jonker nogmaals gemotiveerd dat er geen indicatie is voor een urenbeperking.

Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.

In hoger beroep heeft appellante voorts geen medische gegevens overgelegd die twijfel doen rijzen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid.

Met betrekking tot de arbeidskundige kant van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling overweegt de Raad als volgt.

Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat het Uwv de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ten onrechte heeft uitgevoerd met behulp van het CBBS. Zij acht dit systeem ook na de door het Uwv aangebrachte aanpassingen per

1 juli 2005 nog steeds onvoldoende inzichtelijk, onvoldoende toetsbaar en onvoldoende verifieerbaar.

De Raad wijst in dit verband op zijn uitspraak van 12 oktober 2006 (LJN AY9971) waarin de Raad heeft overwogen dat met de aangebrachte aanpassingen de aan het CBBS klevende onvolkomenheden, zoals deze zijn beschreven in de uitspraken van 9 november 2004 (o.a.: LJN AR4716 en LJN AR4719), in voldoende mate zijn opgeheven.

Met het oog op een voldoende mate van inzichtelijkheid en toetsbaarheid voor justitiabelen, rechtshulpverleners en de rechter van met behulp van het aangepaste CBBS tot stand gekomen arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen, zal er niet aan kunnen worden ontkomen dat de door het systeem aangebrachte signaleringen, welke immers erop duiden dat met betrekking tot een onderdeel of meerdere onderdelen van de functiebelasting mogelijkerwijs sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid van de betrokken verzekerde op dat punt of die punten, alle signaleringen (M en G) worden voorzien van een afzonderlijke toelichting waaruit kan blijken dat en waarom van een daadwerkelijke overschrijding (toch) geen sprake is.

De Raad stelt vast dat bezwaararbeidsdeskundige Saris de signaleringen (M) in de notities functiebelasting van 18 augustus 2005 heeft toegelicht en dat Saris in hoger beroep, desgevraagd, een nadere toelichting op het bestreden besluit heeft gegeven door middel van het rapport van 5 maart 2008.

In dat laatste rapport heeft Saris per functie gemotiveerd toegelicht dat de in de functiebelastingen voorkomende signaleringen (G) geen belemmering vormen voor appellante om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies (SBC-code 342021 portier, SBC-code 317012 verkoper groothandel, SBC-code 111180 productiemede-werker en SBC-code 315100 administratief ondersteunend medewerker) te kunnen uitoefenen.

De Raad is van oordeel dat met het rapport van 5 maart 2008 het bestreden besluit alsnog naar behoren is onderbouwd.

Gelet op het oordeel van de Raad over de toepassing van het CBBS moet zulks tot de conclusie leiden dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak in rechte geen stand houden, maar dat tevens, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand kunnen worden gelaten.

De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal derhalve € 966,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag van in totaal

€ 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 143,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. Lochs.

SSw