Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2244

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-05-2008
Datum publicatie
22-05-2008
Zaaknummer
07-781 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ6225, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen procesbelang: de enkele wens om een principiële uitspraak te verkrijgen over de rechtmatigheid van het bestreden besluit in het licht van de gemaakte afspraak, die van belang kan zijn voor collega’s van appellant, is niet voldoende.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/297
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/781 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 december 2006, 06/1139 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister)

Datum uitspraak: 15 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 3 april 2008. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.M. Viergever-van Mourik, ambtenaar ten departemente.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is bij besluit van 21 februari 2003 geplaatst in de functie van [functie] voor de duur van 48 maanden in verband met zijn benoeming tot Harer Majesteits buitengewoon en gevolmachtigd ambassadeur in de Republiek de Filippijnen en tevens in de Republiek de Marshalleilanden, de Federale Staten van Micronesië en de Republiek Palau.

1.2. Bij memorandum van 22 maart 2005 heeft appellant verzocht om een bekorting van de plaatsingsduur tot 36 maanden en deelname aan de overplaatsingsronde 2006. Op dat verzoek is namens de minister afwijzend beslist bij besluit van 20 juli 2005. Dat besluit is na door appellant daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 26 januari 2006.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep keert appellant zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister de afwijzende beslissing op zijn verzoek tot bekorting van de plaatsingsduur op goede gronden heeft gehandhaafd. Hij beroept zich in het bijzonder op een afspraak met de Hoofddirecteur Personeel en Organisatie van het ministerie die is opgenomen in een bijlage bij het plaatsingsbesluit.

3.2. De minister ziet de afspraak niet als een bindende toezegging dat de plaatsingsduur zal worden bekort. Voorts heeft de minister erop gewezen dat de plaatsingsduur van appellant in Manilla reeds is verstreken en dat niet valt in te zien wat hij met het hoger beroep wil bereiken.

4. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd als volgt.

4.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad is voor een (ontvankelijk) hoger beroep vereist dat kan worden gewezen op enig direct tot de rechtsstrijd tussen partijen te herleiden (proces)belang bij een uitspraak (CRvB 12 oktober 2006, LJN AZ0627). Hetgeen appellant heeft beoogd met zijn verzoek kan niet worden bereikt met een uitspraak op het door hem ingestelde hoger beroep nu de duur van de plaatsing te Manilla in 2007 is verstreken. Ter zitting heeft appellant aangegeven dat hij geen concreet belang heeft bij een uitspraak op het door hem ingestelde hoger beroep. Desgevraagd heeft appellant daar voorts verklaard dat het hem niet te doen is om het verkrijgen van een schadevergoeding. De enkele wens van appellant om een principiële uitspraak te verkrijgen over de rechtmatigheid van het bestreden besluit in het licht van de gemaakte afspraak, die van belang kan zijn voor collega’s van appellant, is naar het oordeel van de Raad niet als voldoende procesbelang aan te merken. Ook overigens is, in aanmerking genomen van hetgeen appellant ter zitting daarover heeft verklaard, van zo een belang niet gebleken. Dat brengt mee dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.G. Treffers en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2008.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) K. Moaddine.

HD