Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2243

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-05-2008
Datum publicatie
22-05-2008
Zaaknummer
05-3340 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WAO-uitkering. Meer beperkingen dan in de FML opgenomen. Onvoldoende medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3340 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 13 april 2005, 05/3340 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

Datum uitspraak: 9 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.F. Roza, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft het Uwv bij brief van 13 september 2005 onder andere een rapport van 31 augustus 2005 van M.E. van der Molen, bezwaararbeidsdeskundige, met een nadere toelichting op de geselecteerde functies, ingezonden.

Namens appellante heeft mr. Roza voornoemd bij brief van 12 juli 2006 een schrijven van het Gezondheidshuis Stadshagen te Zwolle, in het geding gebracht.

Daarop heeft het Uwv gereageerd door middel van inzending van een rapport van 24 juli 2006 van G.W. Egbers, bezwaarverzekeringsarts.

Bij schrijven van 23 januari 2007 heeft mr. Roza voornoemd namens appellante nadere stukken aan het dossier toegevoegd, waarop door het Uwv is gereageerd via inzending van het rapport van 19 februari 2007 van Egbers voornoemd.

Op verzoek van de Raad heeft het Uwv bij brieven van 26 februari 2007 respectievelijk 29 maart 2007 stukken ingezonden die betrekking hebben op een eerdere ziekteperiode (1984-1995) van appellante.

Mr. Roza voornoemd heeft bij brief van 30 mei 2007 nog nadere stukken in het geding gebracht.

Op 2 januari 2008 heeft R.P. Soeters, psychiater, op verzoek van de Raad omtrent de gezondheidssituatie van appellante verslag en advies uitgebracht.

Het Uwv heeft daarop gereageerd door middel van inzending van rapporten van

6 februari 2008 en 10 maart 2008 van W.H. van Leeuwen, bezwaarverzekeringsarts.

Namens appellante heeft mr. Roza voornoemd bij brief van 20 februari 2008 nog enige stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2008. Appellante en haar voornoemde gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.

II. OVERWEGINGEN

Voor een meer uitgebreide weergave van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende. Aan appellante, voorheen werkzaam als productiemedewerkster, is in 1999 een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% in verband met rug- en polsklachten, een longaandoening en klachten van psychische aard. In het kader van een herbeoordeling is zij gezien door een verzekeringsarts van het Uwv, die heeft vastgesteld dat er benutbare arbeidsmogelijkheden bestaan voor appellante, ondanks de bij haar aanwezige beperkingen, welke beperkingen hij heeft aangegeven op een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML); deze beperkingen betreffen een aantal items in de rubrieken 1 en 2 (persoonlijk en sociaal functioneren), blootstelling aan stof, rook, gas en dampen alsmede beperkingen op het fysieke vlak. De arbeidsdeskundige van het Uwv heeft vervolgens enkele voor appellante geschikt te achten functies geselecteerd, waarmee zij een zodanig inkomen kan verdienen dat een verlies aan verdiencapaciteit resteert van 56,1%. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 21 januari 2004 aan appellante bericht, dat haar WAO-uitkering met ingang van 24 februari 2004 wordt herzien naar een percentage van 55 tot 65%. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. In het kader van dit bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts Egbers voornoemd, na ontvangst van informatie van J.P. Smit, de behandelend psychiater van appellante, op

8 juli 2004 een rapport uitgebracht waarin hij het primaire medisch oordeel heeft onderschreven. Bij besluit van 9 juli 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij heeft zij met name gesteld meer beperkt te zijn dan door het Uwv is aangenomen.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens heeft de rechtbank bepaald dat het Uwv het betaalde griffierecht dient te vergoeden. Daartoe heeft de rechtbank, kort weergegeven, geoordeeld dat de medische grondslag van het besluit voldoende deugdelijk is. De verklaring van Smit voornoemd, die erop neerkomt dat hij de bij appellante bestaande depressie voorop stelt, maar geen uitspraak doet over haar verdienvermogen, doet daaraan niet af. Er bestaat, mede gelet op het aanvullend arbeidskundig rapport van 9 september 2004, onvoldoende reden om aan te nemen dat appellante de geduide functies niet zou kunnen uitoefenen. Nu een voldoende deugdelijke arbeidskundige toelichting op die functies eerst na de datum van het bestreden besluit is verkregen, dient dit besluit vernietigd te worden, maar bestaat er aanleiding om de rechtsgevolgen ervan in stand te laten.

In het namens appellante ingestelde hoger beroep is het eerder aangevoerde herhaald en met name gesteld dat haar psychische belastbaarheid is onderschat.

De Raad oordeelt als volgt.

Als aangegeven heeft de Raad, mede naar aanleiding van de ontvangen stukken betreffende een eerdere periode van WAO-uitkering van appellante en de daarin opgenomen gegevens met betrekking tot haar psychische situatie, aanleiding gezien om Soeters voornoemd te vragen om van verslag en advies te dienen. Deze deskundige is in zijn rapport tot de conclusie gekomen dat bij appellante sprake is van een chronische aanpassingsstoornis en dat zij onder meer beperkt is te achten op het gebied van het persoonlijk en sociaal functioneren. Zo ondervindt zij beperkingen ten aanzien van concentratie en het verdelen van aandacht; ook met betrekking tot het uiten van eigen gevoelens en het omgaan met emotionele problemen van anderen kunnen problemen ontstaan en zal zij, volgens deze deskundige, moeite hebben met het samenwerken met anderen. Hij acht vervolgens het grootste deel van de geduide functies niet haalbaar voor appellante.

Volgens vaste rechtspraak dient het oordeel van een door de rechter ingeschakelde onafhankelijke deskundige te worden gevolgd, zulks tenzij er sprake is van (zeer) bijzondere omstandigheden. De hier bedoelde bijzondere omstandigheden die aanleiding zouden kunnen geven om van het oordeel van de deskundige af te wijken, acht de Raad niet aanwezig. Ook het op het rapport van Soeters gegeven commentaar van de bezwaarverzekeringsarts Egbers geeft geen, dan wel onvoldoende reden om dergelijke omstandigheden aanwezig te achten. Hierbij dient wel aangetekend te worden dat bedoelde jurisprudentie - uit de aard der zaak - slechts het oordeel van de deskundige betreft dat ligt op het specifieke terrein van diens deskundigheid. In dit verband merkt de Raad op dat het Uwv wel een reactie op het voormelde rapport van Soeters van een bezwaarverzekeringsarts heeft ingezonden, maar niet van een bezwaararbeidsdeskundige. Daartoe bestond wel aanleiding, omdat de door de genoemde deskundige opgesomde arbeidsbeperkingen voor een relevant deel overeenkomen met die welke al in de FML zijn opgenomen. Alleen op de hiervoor genoemde items (concentratie, verdelen van aandacht etc.) neemt de deskundige extra beperkingen aan ten opzichte van hetgeen in de FML is vermeld; diens opmerking over de beperkte arbeidstijd verstaat de Raad aldus, dat de deskundige (alleen) het werken ’s avonds en in de nacht niet aangewezen acht. Dit roept de vraag op of niet ten aanzien van minstens een aantal van de geselecteerde functies - te noemen valt bijvoorbeeld de huishoudelijk medewerker en de postbesteller - geldt, dat appellante deze ook met inachtneming van de door Soeters genoemde extra beperkingen zou kunnen uitoefenen, nu deze functies op de desbetreffende aspecten niet of nauwelijks specifieke eisen stellen. Om deze vraag te beantwoorden is nader arbeidskundig onderzoek nodig.

Nu de Raad het oordeel van de deskundige volgt dat ten aanzien van appellante meer beperkingen gelden dan in de FML zijn opgenomen, volgt daaruit dat het bestreden besluit op een onvoldoende medische grondslag berust en deswege moet worden vernietigd. Zulks geldt ook voor de aangevallen uitspraak waarbij de medische grondslag van dit besluit is onderschreven. Het Uwv zal worden opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Ten overvloede en ter voorlichting van appellante wijst de Raad erop dat het voorgaande niet behoeft te betekenen dat haar mate van arbeidsongeschiktheid zal worden verhoogd.

De Raad ziet aanleiding om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep, te begroten op € 322,-. Tevens dient het Uwv het door appellante betaalde griffierecht te vergoeden.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep ten bedrage van € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht van € 103,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J. Riphagen en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2008.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. Lochs.

SSw