Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2240

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2008
Datum publicatie
22-05-2008
Zaaknummer
06-3990 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Medische grondslag van bestreden besluit is niet voldoende zorgvuldig vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3990 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 31 mei 2006, 05/7833 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 16 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.G.M. van Gorkum, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 april 2008, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. D.S.C. Hes, waarneemster van zijn gemachtigde. Namens het Uwv is verschenen M.L. Turnhout.

II. MOTIVERING

1.1 Appellant heeft zich op 10 november 2003 ziek gemeld vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet wegens klachten aan de luchtwegen. Daarvoor was appellant laatstelijk werkzaam als kasmedewerker tuinbouw.

1.2 Bij besluit van 17 maart 2005 is aan appellant meegedeeld dat hem per 8 november 2004 geen WAO-uitkering wordt toegekend op de grond dat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.

1.3 In bezwaar tegen deze beslissing is namens appellant - kort samengevat - aangevoerd dat er ten onrechte geen fysieke beperkingen zijn aangenomen als gevolg van zijn longklachten. Naar de mening van appellant had het op de weg van het Uwv gelegen om navraag te doen bij de behandelend longarts over de relatie tussen inspanning en de klachten van appellant. Tevens dient volgens appellant opnieuw naar de geduide functies te worden gekeken als er meer beperkingen worden aangenomen.

1.4 De bezwaarverzekeringsarts M. Keus heeft vervolgens dossierstudie verricht, waarbij hij kennis heeft genomen van de informatie van de behandelend longarts van 5 augustus 2004 en de rapportage van de gespecialiseerde wijkverpleegkundige Astma en Copd van 20 augustus 2004. In zijn rapport van 8 juli 2005 concludeert de bezwaarverzekeringsarts dat de mededeling van de wijkverpleegkundige dat sprake is van verminderd inspanningsvermogen niet overeenkomt met de informatie van de longarts, waaruit blijkt dat appellant een normale longfunctie heeft. De bezwaarverzekeringsarts kan zich dan ook vinden in de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellant, zoals weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (hierna: FML) van

9 februari 2005.

1.5 Vervolgens heeft bezwaararbeidsdeskundige D.J. Gootjes op 19 september 2005 een rapport opgesteld, waaruit blijkt dat het opleidingsniveau van appellant is bijgesteld naar niveau 1, waardoor in bezwaar deels andere functies zijn geduid. Met inachtneming van de FML van 9 februari 2005 heeft de bezwaararbeidsdeskundige geoordeeld dat appellant geschikt is te achten voor de in bezwaar geduide functies, op basis waarvan zijn verlies aan verdiencapaciteit is vastgesteld op 2,8%.

1.6 Bij besluit op bezwaar van 27 september 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar voornoemde rapporten, het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2.1 In beroep is namens appellant herhaald hetgeen hij in bezwaar heeft aangevoerd. Daarbij heeft appellant een verklaring van zijn huisarts van 24 november 2005 overgelegd, alsmede een brief van de behandelend longarts van 7 november 2005.

2.2 De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.2.1 Ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat het besluit op een voldoende medische grondslag berust. Naar het oordeel van de rechtbank geeft de door appellant in beroep overgelegde medische informatie geen aanleiding om te twijfelen aan de medische grondslag van het bestreden besluit. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de juistheid van de conclusie van de longarts dat zware lichamelijke inspanning de longklachten kan verergeren, niet is bestreden door het Uwv. Dit dwingt evenwel niet tot de conclusie dat de FML moet worden aangescherpt, nu daarin wordt uitgegaan van een normale, gemiddelde inspanning. Naar het oordeel van de rechtbank is blijkens de medische informatie geen sprake van een afwijking ten opzichte van deze normaalwaarde in de FML.

2.2.2 Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat de bezwaararbeidsdeskundige in de rapportage van (25 augustus en) 19 september 2005 voldoende heeft gemotiveerd waarom de geduide functies voor appellant geschikt zijn. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het in de functies te tillen en te dragen gewicht ruim beneden de normaalwaarden ligt.

3.1. In hoger beroep handhaaft appellant hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd. Daaraan is in hoger beroep - kort samengevat - toegevoegd dat de geduide functies niet passend zijn, nu dit fysiek zware functies zijn en de klachten van appellant verergeren bij zware inspanning. Appellant verzoekt de Raad om benoeming van een onafhankelijke deskundige.

3.2. De Raad overweegt het volgende.

3.2.1. De Raad stelt vast dat uit de stukken niet blijkt dat de bezwaarverzekeringsarts de brief van de longarts van 7 november 2005, waarin deze aangeeft dat zware lichamelijke inspanning problemen kan geven, bij zijn beoordeling heeft betrokken. Om te kunnen beoordelen of het Uwv de belastbaarheid van appellant juist heeft vastgesteld, is het naar het oordeel van de Raad van belang wat de longarts verstaat onder “zware lichamelijke inspanning”. Dit acht de Raad mede van belang vanwege de belasting wat betreft tillen en dragen in de functies van inpakker afvulafdeling (sbc-code 111190) en machinevoerder stans (sbc-code 268040), die mogelijk als “zware lichamelijke inspanning” dient te worden aangemerkt. Gelet hierop had het op de weg van de bezwaarverzekeringsarts gelegen om contact op te nemen met de longarts, teneinde te kunnen vaststellen wat de eventuele gevolgen van de visie van de longarts zijn voor de vaststelling van de FML. Nu de bezwaarverzekeringsarts dit heeft nagelaten, is de Raad van oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit niet voldoende zorgvuldig is vastgesteld.

3.2.2. Gelet op het voorgaande dient het bestreden besluit te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven. Het Uwv dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

3.2.3. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant wegens de hem verleende rechtsbijstand, begroot op € 644,- voor het geding bij de rechtbank en € 644,- voor het geding in hoger beroep. Voorts dient het Uwv een bedrag van € 78,60 te vergoeden voor kosten gemaakt door appellant voor het inwinnen in beroep van medische informatie. Tenslotte heeft appellant aanspraak op vergoeding van reiskosten in beroep en in hoger beroep van in totaal € 16,90.

3.2.4. Omdat nadere besluitvorming door het Uwv noodzakelijk is, kan de Raad in dit stadium geen beslissing nemen over het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente. Het Uwv zal dit in zijn nadere beslissing op het bezwaar dienen te bezien.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Draagt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op om, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellant;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van

€ 1383,50 te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) R.L. Rijnen.

SSw