Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2239

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-05-2008
Datum publicatie
22-05-2008
Zaaknummer
06/5928 MAW, 06/5929 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toewijzing functie met bepaling dat appellant zijn nevenwerkzaamheden ten behoeve van de militaire sport met onmiddellijke ingang en tot nader order dient te beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2008/164
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5928 MAW + 06/5929 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 september 2006, 05/4179 onderscheidenlijk 06/165 (hierna: aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellant

en

1. [Chef Staf] (hierna: Chef Staf)

2. [Commandant] (hierna: Commandant)

Datum uitspraak: 8 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Chef Staf en de Commandant hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2008. Appellant is verschenen met bijstand van H.Th.B. van Dillen, commodore b.d., A.G. Faassen, FIBA-commissaris Europa, en G. Nagelhout, stafmedewerker ARBO bij het Regionaal Militair Commando Noord. De Chef Staf en de Commandant hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. M.I. Biharie-Pronk, werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, majoor bij de Koninklijke Landmacht, was sedert 12 januari 2004 werkzaam als [functie] (hierna: [functie]). Op 20 januari 2004 heeft een functie-introductiegesprek plaatsgevonden. Daarin is onder meer aandacht besteed aan de nevenwerkzaamheden van appellant als [nevenwerkzaamheden] van de internationale militaire sportorganisatie [sportorganisatie]. Op 28 april 2004 is een functioneringsgesprek gehouden, waarin ernstige kritiek is geuit op de wijze waarop appellant zijn hoofdfunctie uitoefent. Daarbij is onder meer aangegeven dat de nevenactiviteiten ten koste dreigen te gaan van de concentratie op de functie en op de ambitie om van de functie iets te maken. Afgesproken werd dat appellant een maximale inspanning zou verrichten om alsnog “in de functie te komen” en daartoe een plan van aanpak zou maken dat hij zou terugkoppelen met het Hoofd Personeels-zaken.

1.2. Begin augustus 2004 is een beoordeling opgesteld van het functioneren van appellant in de periode van 12 januari 2004 tot 1 augustus 2004. Bij besluit van 27 september 2004, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 9 mei 2005, heeft de Chef Staf deze beoordeling met enkele wijzigingen vastgesteld. Behoudens wat betreft het gedrag, luidt de beoordeling op alle aspecten van functievervulling en competenties onvoldoende. Ook het totaaloordeel luidt onvoldoende.

1.3. Bij besluit van 31 mei 2005, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 29 november 2005, heeft de Commandant aan appellant de functie toegewezen van [functie 2]. Aan deze toewijzing is de bepaling verbonden dat appellant zijn nevenwerkzaamheden ten behoeve van de militaire sport met onmiddellijke ingang en tot nader order dient te beëindigen.

1.4. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

2. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3. De beoordeling.

3.1. Volgens vaste rechtspraak is de rechterlijke toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust (CRvB 5 november 1998, LJN ZB7954 en TAR 1998, 191).

3.2. De in de beoordeling neergelegde kritiek op het functioneren van appellant ligt geheel in de lijn van hetgeen reeds - uitvoerig en concreet - is vermeld in het verslag van het functioneringsgesprek van 28 april 2004. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant niets heeft aangevoerd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat zijn feitelijk functioneren in het beoordelingstijdvak deze negatieve beoordeling niet rechtvaardigt. Dat appellant in andere functies wèl waardering heeft geoogst, in het bijzonder ook bij zijn activiteiten op sportgebied, wil niet zeggen dat hij als Hoofd Bedrijfsplannen bij het [functie] aan de eisen heeft voldaan. Integendeel, appellant heeft zelf bij verschillende gelegenheden te kennen gegeven dat hij die functie niet zag zitten, dat hij daarin dingen moest doen die hij niet kan, dat zijn kwaliteiten elders liggen en dat sprake was van “de juiste vent op de verkeerde plaats”. Bij brief van 29 juli 2004 heeft hij nog gesteld dat de functie hem niet “op het lijf geschreven is” en om bemiddeling verzocht, waarmee hij kennelijk doelde op toewijzing van een voor hem meer geschikte functie.

3.3. Tegen deze achtergrond kan het betoog van appellant over de verstoorde verhouding met zijn beoordelaars en hun beweerde gebrek aan leiderschap geen doel treffen. Van persoonlijke vooringenomenheid van de beoordelaars jegens appellant is niet gebleken. Aannemelijk is dat de wrijvingen juist zijn veroorzaakt door de wijze waarop appellant zijn functie heeft uitgeoefend.

3.4. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting kan evenmin worden staande gehouden dat appellant na het functioneringsgesprek van 28 april 2004 zijn functioneren heeft verbeterd. Niet ten onrechte heeft de Chef Staf zich op het standpunt gesteld dat het door appellant ingeleverde plan van aanpak niet méér was dan een soort agenda voor de komende weken, waaruit niet kon worden afgeleid wat zijn inhoudelijke visie was op de te verrichten taken en hoe hij in de gebleken tekortkomingen dacht te voorzien.

3.5. Gezien het vorenstaande kan de Raad niet tot het oordeel komen dat de aangevochten beoordeling op onvoldoende gronden berust. Het hoger beroep inzake de beoordeling treft dus geen doel.

4. De beëindiging van de sportactiviteiten.

4.1. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat appellant heeft berust in de toewij-zing van de functie van [functie 2] als zodanig. Aan de orde is uitsluitend nog de hieraan verbonden opdracht om de nevenwerkzaamheden ten behoeve van de militaire sport onmiddellijk tot nader order te beëindigen. De beroeps-gronden die daarop geen betrekking hebben - zoals die welke zien op appellants militaire carrière in het algemeen - dient de Raad buiten beschouwing te laten.

4.2. Gelet op de negatieve beoordeling die appellant had gekregen in zijn functie van Hoofd Bedrijfsplannen bij het [functie], welke beoordeling blijkens het vorenstaande in rechte stand houdt, heeft de Commandant zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het dienstbelang vergde dat appellant al zijn aandacht en energie zou gaan richten op een goede uitoefening van zijn nieuwe hoofdfunctie. De stelling van appellant dat hij zijn sportactiviteiten voornamelijk in eigen tijd verrichtte leidt - wat er overigens van zij - niet tot een ander oordeel. Niet ten onrechte heeft de Commandant deze activiteiten aangemerkt als een belastende factor die tot de mislukking aan het [functie] had bijgedragen. Daaraan mocht hij de conclusie verbinden dat de activiteiten ook voor de toekomst een risico voor een goede functievervulling inhielden.

4.3. De omstandigheid dat appellant in augustus 2005 toch weer bijstand heeft moeten verlenen bij de organisatie van het militaire wereldkampioenschap [sportonderdeel] doet niet af aan de rechtmatigheid van de in mei 2005 gegeven opdracht om de nevenactiviteiten te staken. Daarbij is van belang dat de Commandant deze opdracht heeft afgestemd met het Hoofd Bureau Internationale Militaire Sport, die heeft aangegeven het belang voor appellants militaire hoofdfunctie te onderkennen en voorshands geen onoverkomelijke problemen voor de internationale militaire sport te verwachten. Dat de situatie nadien blijkbaar is gewijzigd, levert onvoldoende grond op voor het oordeel dat de opdracht - welke uitdrukkelijk gold tot nader order - jegens appellant onzorgvuldig of anderszins onrechtmatig is geweest.

4.4. Ook het hoger beroep inzake de opdracht slaagt dus niet.

5. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraken voor bevestiging in aanmerking komen.

6. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2008.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD