Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2234

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2008
Datum publicatie
22-05-2008
Zaaknummer
06-3591 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering te verhogen: geen sprake van toegenomen beperkingen. Geen aanknopingspunten voor een ander oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3591 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 15 mei 2006, 05/1195 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J. Achterveld, advocaat te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2008. Appellante is met bericht niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door T. Hollander.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 6 oktober 2004 heeft het Uwv geweigerd om de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke sinds 6 januari 1998 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

35 tot 45%, ingaande 1 december 2002 te verhogen omdat per die datum geen sprake is van toegenomen beperkingen. Het Uwv was van oordeel dat per 23 juli 2004 wel sprake is van toegenomen beperkingen, maar dat ook dit niet leidt tot een herziening van de uitkering omdat de toegenomen beperkingen niet zijn ingetreden binnen 5 jaar na de toekenning van de uitkering ingevolge de WAO en dat appellante bovendien niet verzekerd is voor de toegenomen beperkingen.

1.2. Namens appellante heeft mr. Achterveld tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.3. Bij besluit van 15 juni 2005 heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 juni 2005, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat uitsluitend de vraag aan de orde is of bij appellante vanaf 1 december 2002 sprake is van toegenomen beperkingen voortkomend uit dezelfde oorzaak die ten grondslag lag aan de reeds toegekende uitkering. Die vraag is door de rechtbank ontkennend beantwoord.

3. In hoger beroep heeft appellante herhaald dat in de door haar overgelegde medische informatie wel aanwijzingen zijn te vinden voor het oordeel dat vanaf december 2002 sprake is van toegenomen beperkingen. Verder verbaast het appellante dat de rechtbank de artsen van het Uwv heeft gevolgd, omdat in de rapporten van deze artsen volgens appellante veel waarde wordt gehecht aan het op 25 september 1998 door zenuwarts/neuroloog/psychiater C.J.F. Kemperman (op verzoek van verzekeringsarts M.J. de Lange naar aanleiding van appellantes ziekmelding per 9 december 1997) over appellantes medische situatie opgestelde rapport. Het is appellante een raadsel hoe op basis van een rapport uit 1998 conclusies kunnen worden getrokken over de medische situatie per 1 december 2002.

4.1.1. In hetgeen van de zijde van appellante in hoger beroep naar voren is gebracht, dat in essentie een herhaling vormt van hetgeen in het geding in eerste aanleg is aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor een ander oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen. De Raad kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank en maakt deze overwegingen tot de zijne.

4.1.2. De Raad voegt hier nog aan toe dat anders dan appellante kennelijk meent het niet zo is dat de verzekeringsarts L. Das veel waarde hecht aan het in 1998 uitgebrachte rapport van Kemperman. Das heeft zich - afgaande op zijn rapport van 23 augustus 2004 op basis van zijn eigen uitgebreide observatie en psychisch onderzoek van appellante - een eigen oordeel gevormd, namelijk dat de psychiatrische expertise van Kemperman goed aansluit bij zijn huidige bevindingen.

4.1.3. Voor wat betreft de in hoger beroep door appellante overgelegde rapportage van 23 augustus 2006 van de verzekeringsarts R.A. Hollander, werkzaam bij Lelie Hollander, overweegt de Raad dat hij daaraan niet de betekenis kan toekennen die appellante daaraan gehecht wil zien. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat Hollander zich heeft beperkt tot dossieronderzoek en appellante, in tegenstelling tot de verzekeringsarts Das, niet zelf heeft onderzocht. Voorts is zijn constatering dat Das de schildklierproblematiek van appellante niet noemt in zijn rapportage van 23 augustus 2004 feitelijk onjuist: in genoemde rapportage wordt de diagnose hyperthyreoïdie met zoveel woorden genoemd. Ook de stelling dat er geen informatie van behandelaars is meegewogen is feitelijk onjuist. Voor zover Hollander van mening is dat ten onrechte geen beperkingen worden aangenomen voor de schildklierproblematiek overweegt de Raad dat de verzekeringsarts De Lange al in 1998 vaststelde dat al sinds 1996 de substitutie van de schildklierfunctie middels (het medicijn) Thyrax goed is ingesteld en dat op basis daarvan geen beperkingen meer kunnen worden vastgesteld. Met het van toepassing achten van de beperkingen uit 1998 heeft Das dit oordeel overgenomen. Namens appellante is niets aangevoerd wat op dit punt twijfel doet ontstaan aan het oordeel van de verzekeringsartsen. Voor zover Hollander kritiek heeft op de aangenomen datum van de toegenomen beperkingen moet worden opgemerkt dat dit buiten de omvang van dit geding valt, nu hierin zoals onder 2 is overwogen enkel wordt geoordeeld over de datum 1 december 2002.

4.1.4. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1.1 tot en met 4.1.3 volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen, uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) R.L. Rijnen.

SSw