Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2233

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
22-05-2008
Zaaknummer
04-5546 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet langer arbeidsongeschikt geacht. Beëindiging ZW-uitkering. Discrepantie tussen oordeel in WAO-zaak en ZW-zaak. De deskundige acht betrokkene op de datum in dit geding van belang geschikt voor de in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5546 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 augustus 2004, 00/3584 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

[Betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 21 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. T.M. van Angeren, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2007. Namens appellant is verschenen J. Knufman. Betrokkene is niet verschenen.

Na behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

De Raad heeft de psychiater prof. dr. E. Hoencamp benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Deze heeft een schriftelijk verslag van zijn onderzoek, gedateerd oktober 2007, aan de Raad uitgebracht.

De zaak is opnieuw ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 9 april 2008 waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding (de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

1.1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.2. Bij besluit van 29 februari 2000 heeft appellant betrokkene meegedeeld dat hij op en na 14 februari 2000 niet langer arbeidsongeschikt wordt geacht en dat zijn uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) met ingang van die datum zal worden beëindigd.

1.3. Bij besluit van 16 juni 2000 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 29 februari 2000 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en beslissingen gegeven met betrekking tot de proceskosten en het griffierecht.

3. De Raad oordeelt als volgt.

3.1. In dit geding staat centraal de medische situatie van betrokkene op 14 februari 2000. De rechtbank heeft de psychiater G. Nabarro als deskundige benoemd om betrokkene te onderzoeken. Nabarro heeft op 28 november 2001 betrokkene onderzocht en hierover op 5 juli 2002 gerapporteerd. Nabarro is, mede aan de hand van de informatie van de GGZ buitenamstel, tot de conclusie gekomen dat er sprake is van een psychiatrische diagnose en dat betrokkene op 14 februari 2000 niet in staat was de hem voorgehouden passende werkzaamheden te verrichten.

In het kader van een WAO-procedure bij de Raad is psychiater prof. dr. B.P.R. Gersons benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Het onderzoek in die zaak heeft plaatsgevonden op 11 januari 2002, 5 februari 2002, 4 maart 2002 en 8 maart 2002.

Gersons heeft hierover op 15 maart 2002 een rapport uitgebracht. In dit rapport vermeldt Gersons dat er geen sprake is van een psychiatrische voorgeschiedenis en komt hij vervolgens tot de conclusie dat betrokkene op de datum in dat geding van belang (18 januari 1997) en op de datum van onderzoek niet aan een psychiatrische ziekte of gebrek leed.

3.2. Vanwege de discrepantie tussen beide oordelen heeft de Raad psychiater prof. dr. E. Hoencamp benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek.

De Raad kent doorslaggevende betekenis toe aan het advies van de deskundige Hoencamp, als vervat in zijn rapport van oktober 2007. De deskundige is na kennisname van het procesdossier, waaronder de rapportages van de psychiaters Nabarro en Gersons, tot de conclusie gekomen dat er bij betrokkene sprake is van psychosociale problemen, welke zich kunnen uiten in een diffuus aantal psychische klachten, een diffuus aantal somatische klachten en de daarbij behorende gedragsproblemen. De deskundige stelt dat hij psychiater Gersons volgt in de keuze om de voornoemde klachten wel als reëel te accepteren, doch niet als psychiatrisch in engere zin te duiden. De deskundige stelt verder dat in de periode voor 2002 evenmin sprake was van psychopathologie in engere zin die van dien aard en intensiteit was, dat deze betrokkene dermate veel beperkingen gaf, dat hij daardoor in het geheel geen arbeid zou kunnen verrichten. De deskundige is van oordeel dat betrokkene op de datum in dit geding van belang, te weten 14 februari 2000, een combinatie van atypische depressieve angstklachten en gedragstoornissen vertoonde. De deskundige acht betrokkene op de datum in dit geding van belang geschikt voor de in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies. De Raad heeft geen aanleiding gezien om de door de deskundige Hoencamp getrokken conclusie voor onjuist te achten.

3.3. Het voorgaande brengt mee dat de grieven van appellant slagen en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

4. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) R.L. Rijnen.

SSw