Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2232

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
22-05-2008
Zaaknummer
05-5454 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eerste dag van toegenomen arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld? Vaststelling van WAO-dagloon juist?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5454 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 juli 2005, 04/1547 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G. Martin, advocaat te Purmerend, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Martin. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was laatstelijk gedurende 36 uur per week werkzaam als samensteller in een dienstverband ingevolge de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW) bij [naam werkgever] (hierna: de werkgever). Op 16 augustus 1999 heeft appellant dit werk gestaakt in verband met vermoeidheidsklachten als gevolg van de aandoening ADCA. Na het verstrijken van de wachttijd van 52 weken is appellant, uitgaande van hervatting van het eigen werk voor 20 uur per week, met ingang van 14 augustus 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Nadien heeft de werkgever het Uwv bericht dat appellant in verband met een verslechtering van zijn gezondheidstoestand voortvloeiend uit dezelfde ziekteoorzaak op 31 mei 2001 volledig ziekgemeld is. Na een medische beoordeling door de verzekeringsarts en een arbeidskundig onderzoek door de arbeidsdeskundige heeft het Uwv zich, mede op basis van de door de werkgever verstrekte informatie omtrent het functioneren van appellant, op het standpunt gesteld dat appellant toegenomen arbeidsongeschikt is geworden uit dezelfde ziekteoorzaak en aan het bepaalde in

art 39a van de WAO na vier weken recht ontleent op een herziening van zijn uitkering ingevolge de WAO naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 20 mei 2003 is de arbeidsongeschiktheidsuitkering van appellant ingevolge de WAO per 28 juni 2001 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij het besluit op bezwaar van 26 februari 2004, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het besluit van 20 mei 2003 gehandhaafd. Daarbij is, uitgaande van de toegenomen arbeidsongeschiktheid per 31 mei 2001, tevens vastgesteld dat een herbeoordeling van het WAO-dagloon met toepassing van artikel 40 van de WAO per 30 mei 2002 niet tot een hoger dagloon leidt.

2. Appellant heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat de eerste dag van toegenomen arbeidsongeschiktheid, 31 mei 2001, arbitrair en onvoldoende gemotiveerd is vastgesteld. Daarbij is opgemerkt dat het Uwv het standpunt van de werkgever, dat appellant vanaf 31 mei 2001 enkel op basis van arbeidstherapie werk verrichtte

en niet aan de WSW-norm voldeed, te lichtvaardig heeft gevolgd en geen rekening heeft gehouden met de door appellant verrichte werkzaamheden uit hoofde van zijn lidmaatschap van de ondernemingsraad. Ten aanzien van de vaststelling van het WAO-dagloon is namens appellant naar voren gebracht dat hierbij dient te worden uitgegaan van een dienstverband van 36 uur en van het salaris dat appellant een jaar na het definitieve staken van zijn werk op 25 oktober 2002 zou hebben genoten.

3.1. De rechtbank heeft het beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard en appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat het Uwv de eerste arbeidsongeschiktheidsdag onjuist heeft vastgesteld. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts, mede gelet op de beschikbare gegevens omtrent het functioneren van appellant, terecht de visie van de werkgever doorslaggevend hebben geacht.

3.2. Wat betreft de hoogte van het dagloon van appellants uitkering ingevolge de WAO heeft de rechtbank, gelet op het vorenstaande, overwogen dat het Uwv bij de toepassing van artikel 40 van de WAO terecht 31 mei 2001 als eerste dag van de toename van de arbeidsongeschiktheid van appellant heeft gehanteerd. Hiervan uitgaande kan appellant niet worden gevolgd in zijn standpunt dat uitgegaan moet worden van een arbeidsduur van 36 uur en de daarbij behorende verdiensten, nu appellant voorafgaande aan 31 mei 2001 immers 50% van 36 uur heeft gewerkt. Nu de berekening van het dagloon ingevolge artikel 40 van de WAO in samenhang met artikel 16 van de Dagloonregelen WAO lager uitvalt dan het reeds gehanteerde dagloon heeft de rechtbank geconcludeerd dat het Uwv op goede gronden laatstgemeld dagloon heeft gehandhaafd.

4. In hoger beroep heeft appellant zijn in beroep naar voren gebrachte standpunt ten aanzien van de arbitraire en ongemotiveerde vaststelling van de eerste dag van toegenomen arbeidsongeschiktheid door het Uwv herhaald. Ten aanzien van het WAO-dagloon is namens appellant bepleit dat moet worden uitgegaan van de verdiensten verbonden aan het aantal in de arbeidsovereenkomst bedongen arbeidsuren, te weten

40 uur per week.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Hetgeen namens appellant in hoger beroep naar voren is gebracht omtrent de onjuiste vaststelling van de eerste dag van toegenomen arbeidsongeschiktheid op 31 mei 2001 is niet met nadere (medische) gegevens onderbouwd en leidt de Raad niet tot een ander oordeel dan de rechtbank. De Raad laat daarbij meewegen dat de gemachtigde van appellant ter zitting heeft aangegeven dat appellant inderdaad niet aan de WSW-norm voldeed. Dat appellant een gedeelte van zijn arbeidstijd werkzaam was als lid van de ondernemingsraad maakt dit, daargelaten of appellant in dit opzicht vanaf 31 mei 2001 wel voldoende heeft gefunctioneerd, niet anders.

5.2. De Raad heeft voorts geen aanknopingspunten om de vaststelling van het WAO-dagloon met toepassing van artikel 40 van de WAO voor onjuist te houden.

De gemachtigde van appellant heeft desgevraagd ter zitting van de Raad aangegeven dat de dagloonberekening, zoals weergegeven in het bestreden besluit, op zichzelf juist is maar tot een onredelijk resultaat leidt. In aanmerking genomen dat de toetsing van het WAO-dagloon aan artikel 40 van de WAO tot de conclusie leidt dat het oorspronkelijke dagloon, dat is gebaseerd op de inkomsten van appellant uit zijn voltijdse aanstelling als samensteller bij Montapack dient te worden gehandhaafd, ziet de Raad niet in dat appellant daarmee tekort zou zijn gedaan. De omstandigheid dat appellant dit resultaat als onredelijk ervaart, kan niet tot een andere uitkomst leiden.

5.3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van R.L Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) R.L. Rijnen.

SSw