Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2222

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-05-2008
Datum publicatie
22-05-2008
Zaaknummer
06-5827 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Zijn de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies voor betrokkene vanwege de daaraan gestelde opleidingseisen toegankelijk?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5827 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 1 september 2006, 05/8371 (de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.S.C. Hes, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2008. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Hes. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.F.S. Hermans.

II. OVERWEGINGEN

1. Het inleidende beroep is gericht tegen het besluit van 18 oktober 2005 ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Hierbij heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit van 29 april 2005, waarbij de eerder aan appellant toegekende WAO-uitkering met ingang van 30 juni 2005 is beëindigd. Hieraan ligt ten grondslag dat appellant weliswaar wegens zijn medische beperkingen niet meer zijn werk als kasmedewerker kan verrichten, maar ondanks die beperkingen ander werk kan doen in functies waarvan voorbeelden aan betrokkene zijn voorgehouden. Het loonverlies bedraagt minder dan 1%.

2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

3.1 De Raad gaat uit van de feiten zoals de rechtbank die in de aangevallen uitspraak heeft vastgesteld; zij zijn door partijen niet bestreden. Voor zover van belang gaat het daarbij om het volgende.

3.2 Appellant is geboren [in] 1970. Hij heeft een verstandelijke beperking. Hij heeft zes jaar basisonderwijs gevolgd op een school voor moeilijk lerende kinderen, gevolgd door twee jaar speciaal en voorbereidend beroepsonderwijs in een vorm van zogenaamd symbioseonderwijs. Praktische vakken kon appellant redelijk goed aan, hij heeft echter de grootste moeite met lezen en schrijven. Uit de stukken blijkt dat appellant als functioneel analfabeet moet worden beschouwd. Ook zijn rekenvaardigheid laat te wensen over. Voor het behalen van zijn rijbewijs heeft appellant (bijna) drie jaar nodig gehad. Vooral het theorie-examen vormde daarbij het struikelblok: hij is daarvoor enkele keren gezakt. Appellant wilde graag vrachtwagenchauffeur worden, maar het behalen van de benodigde papieren bleek al na snel te hoog gegrepen. Vanaf zijn 16e jaar is appellant in een kassenbedrijf gaan werken. Dat werk heeft hij moeten staken wegens een huidaandoening en allergische reacties. Bij de arbeidskundige beoordeling per einde van de wettelijke wachttijd is het opleidingsniveau van appellant op 1 bepaald. In latere jaren is dit bij herbeoordelingen steeds bevestigd. In de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 19 april 1995 wordt bevestigd dat appellant is aangewezen op simpel werk in een gestructureerde werkomgeving.

3.3 In februari 2005 vond opnieuw een (medische) herbeoordeling plaats.

De verzekeringsarts heeft een Functionele Mogelijkhedenlijst ingevuld. Vervolgens heeft arbeidskundig onderzoek plaats gevonden. Uit het hiervan opgemaakte verslag van 23 april 2005 blijkt dat de arbeidsdeskundige een selectie van functies heeft gemaakt, uitgaande van opleidingsniveau 2. Van die selectie liggen (uiteindelijk) drie functies aan het bestreden besluit ten grondslag, alle drie met opleidingsniveau 2. Voor de functie monteur is basisonderwijs vereist, en daarnaast moet de werknemer in staat zijn een interne opleiding te volgen op het gebied van componentenkennis.

4.1 De Raad overweegt verder het volgende.

4.2 Appellant heeft onder meer als beroepsgrond aangevoerd, dat de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies voor hem vanwege de daaraan gestelde opleidingseisen niet toegankelijk zijn.

4.3 Deze beroepsgrond slaagt. De Raad acht in het bijzonder de functie monteur voor appellant te hoog gegrepen, nu daarvoor nog een aanvullende interne opleiding nodig is. De omstandigheid dat appellant in staat is gebleken zijn rijbewijs te halen, zoals het Uwv ter zitting heeft aangevoerd, doet hier niet aan af. Ter zitting is van de zijde van appellant daaromtrent onweersproken meegedeeld dat hij drie jaar over het halen van zijn rijbewijs heeft gedaan, omdat hij drie keer voor het theoretische examen was gezakt.

4.4 Aan de schatting liggen zodoende minder dan drie functies ten grondslag. Dat is in strijd met artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheids-wetten.

4.5 De overige aangevoerde beroepsgronden kunnen daarmee buiten bespreking blijven.

4.6 De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het beroep is gegrond. Daarom kan het bestreden besluit niet in stand blijven. De Raad ziet tevens aanleiding om het besluit van 29 april 2005 te herroepen.

4.7 De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Deze bedragen voor appellant wegens de hem verleende rechtsbijstand € 644,- voor de procedure bij de rechtbank en ook € 644,- voor het hoger beroep, samen € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 18 oktober 2005;

Herroept het besluit van 29 april 2005;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van het geding ad € 1.288,00, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem betaalde griffierecht tot een bedrag van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en A. T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.W.A. Schimmel.

SSw