Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2218

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-05-2008
Datum publicatie
22-05-2008
Zaaknummer
06-4216 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ambtshalve overweging mbt schending van beginsel van hoor en wederhoor. Bespreking van beroepsgrond, aangevoerd na verstrijken van beroepstermijn. Inleidend beroepschrift richt zich op bestreden besluit als geheel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4216 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 6 juni 2006, 05/1792 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Staal, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld en de gronden aangevuld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2008. Partijen zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Het inleidende beroep is gericht tegen het besluit van 4 oktober 2005 ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Hierbij heeft het Uwv herroepen zijn besluit van 8 oktober 2004 tot weigering van de toekenning van een WAO-uitkering per 4 oktober 2004. Appellant is met ingang van 3 september 2004 in aanmerking gebracht van een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45% en een dagloon van € 87,90 en met vergoeding van de in bezwaar gevallen kosten tot een bedrag van € 644,- wegens de appellant verleende rechtsbijstand.

Bij brief van 10 november 2005 is tegen het besluit van 4 oktober 2005 beroep ingesteld. Bij schrijven van 13 december 2005 zijn gronden aangevoerd tegen de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid, onder uitdrukkelijk voorbehoud van het recht om later nadere gronden in te dienen. Bij brief van 12 april 2006 is een nadere uitwerking gegeven van de beroepsgronden en heeft appellant aangevoerd nog geen beslissing te hebben ontvangen omtrent zijn ziekmelding per 30 september 2004. Tevens heeft appellant betoogd dat het dagloon te laag is vastgesteld en heeft hij aangevoerd dat naast de kosten van rechtsbijstand tevens de aan het inwinnen van medische inlichtingen verbonden kosten als in bezwaar gevallen kosten hadden moeten worden vergoed.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting van 27 april 2006. Appellant is bij die gelegenheid niet verschenen, het Uwv heeft zich wél laten vertegenwoordigen en heeft daar overgelegd een arbeidskundige rapportage van 26 april 2006.

De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, voor zover dat is gericht tegen de hoogte van het dagloon en de hoogte van de vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten, omdat de daarop betrekking hebbende beroepsgronden pas na het verstrijken van de beroepstermijn zijn ingediend. Ook het beroep voor zover dat zich richt tegen het uitblijven van een besluit naar aanleiding van de ziekmelding per 30 september 2004 heeft de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard. Voor het overige heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De aangevallen uitspraak berust, blijkens de overwegingen, mede op het arbeidskundige rapport van 26 april 2006.

Nadien is appellant met ingang van 30 september 2004 een WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

Ambtshalve overweegt de Raad dat de rechtbank haar uitspraak mede heeft gebaseerd op het op haar zitting overgelegde arbeidskundige rapport van 26 april 2006. Appellant was bij die zitting niet aanwezig en is daarmee de gelegenheid onthouden om op die arbeidskundige rapportage te reageren. Naar het oordeel van de Raad heeft hierdoor een zodanige schending van het beginsel van hoor en wederhoor, zijnde een fundamenteel beginsel van (bestuurs)procesrecht, plaatsgevonden, dat de Raad reeds op deze grond dient over te gaan tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Bij een beoordeling van het geschil over het uitblijven van een beslissing in verband met zijn ziekmelding per 30 september 2004 heeft appellant geen belang meer, want het door hem verlangde besluit is inmiddels afgegeven.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de enkele omstandigheid dat de op de hoogte van het dagloon en de vergoeding van bezwaarkosten betrekking hebbende beroepsgronden pas na het verstrijken van de beroepstermijn zijn aangevoerd, niet in de weg staat aan de bespreking van deze beroepsgronden. Het inleidende beroepschrift richt zich op het bestreden besluit als geheel. De tegen de mate van arbeidsongeschiktheid gerichte beroepsgronden zijn overigens ook na het verstrijken van de beroepstermijn aangevoerd, maar door de rechtbank wel besproken.

In het vorenstaande ligt besloten dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. De Raad ziet aanleiding tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Roermond.

De Raad ziet aanleiding om het Uwv in de in hoger beroep gevallen kosten te veroordelen, aan de zijde van appellant wegens de hem verleende rechtsbijstand begroot op € 322,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Wijst de zaak terug naar de rechtbank Roermond;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van het geding ad € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant .

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.W.A. Schimmel.

JL