Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2202

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
22-05-2008
Zaaknummer
05-5966 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Medische beperkingen onderschat? Misslag in bestreden besluit (ten aanzien van datum intrekking) door Raad aangevuld gelezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/5966 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 augustus 2005, 05/1201 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2008. Namens appellante is verschenen mr. F. Bakker, advocaat te Groningen. Het Uwv was niet vertegenwoordigd.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is op 29 juni 1987 betrokken geraakt bij een auto-ongeluk, waardoor zij wegens rug- en nekklachten voor haar werk als assemblage-medewerkster arbeidsongeschikt is geworden. Een poging tot re?ntegratie in 1988 bij haar voormalige werkgever was niet succesvol, waarna appellante volledig arbeidsongeschikt werd beschouwd. Vanaf 28 juni 1988 ontving zij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Rond 1992 is appellante naar Duitsland verhuisd, waar zij verder onder behandeling is gebleven en de reguliere periodieke keuringen heeft ondergaan.

In verband met de periodieke herbeoordeling van de mate van haar arbeidsongeschiktheid in 2004 is appellante onderzocht door de verzekeringsarts T.J.W. Jansen. Op grond van dit onderzoek heeft de verzekeringsarts geconstateerd dat appellante belastbaar moest worden geacht voor passende functies. De verzekeringsarts heeft een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, waarin een aantal arbeidsbeperkingen is opgenomen met betrekking tot het persoonlijk functioneren van appellante. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige diverse functies geselecteerd die appellante met inachtneming van de FML kon vervullen. Deze beoordeling heeft ertoe geleid dat de uitkering van appellante op grond van de WAO bij besluit van 30 juni 2004 per 1 september 2004 is ingetrokken, omdat geen sprake is van een relevante mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van 12 januari 2005 ongegrond verklaard. Hierbij is echter de ingangsdatum van de intrekking herzien in die zin dat de WAO-uitkering per 11 januari 2005 is ingetrokken in plaats van per 1 september 2004. Ten aanzien van de herziene ingangsdatum van de intrekking overwoog het Uwv dat de wettelijke basis voor de intrekking van de uitkering per 1 september 2004 was komen te vervallen, nu de bezwaararbeidsdeskundige tot de conclusie was gekomen dat van de zes door de primaire arbeidsdeskundige geduide functies, er nog slechts twee resteerden. Na duiding van andere functies door de bezwaararbeidsdeskundige werd de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw vastgesteld op minder dan 15%, hetgeen - met inachtneming van een uitlooptermijn van twee maanden - leidde tot intrekking per 11 januari 2005.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante, onder verwijzing naar hetgeen door haar in beroep naar voren is gebracht, de medische grondslag van het bestreden besluit betwist. Namens het Uwv heeft de bezwaarverzekeringsarts K. Corten gereageerd op de door appellante ingebrachte deskundigenverklaringen.

De Raad oordeelt als volgt.

Tussen partijen is allereerst in geschil of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vanaf 11 januari 2005 terecht heeft vastgesteld op minder dan 15%. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of het Uwv in voldoende mate rekening heeft gehouden met de toen voor appellante geldende beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid.

Ook de Raad ziet in de beschikbare informatie noch in hetgeen appellante in dit verband heeft aangevoerd, aanleiding om te oordelen dat de belastbaarheid van appellante op de datum in geding, zoals is neergelegd in de door de bezwaarverzekeringsarts opgestelde rapportage, onjuist is vastgesteld. Het beroep van appellante op het door dr. Schmidt op 3 december 2004 over appellante uitgebrachte expertiserapport kan haar niet baten, nu de bezwaarverzekeringsarts deze expertise reeds in haar zorgvuldig tot stand gekomen en concludente afwegingen heeft betrokken. Daarbij is deze arts tot het oordeel gekomen dat appellante niet behoort tot de categoric "geen duurzaam benutbare mogelijkheden" op grond waarvan volledige arbeidsongeschiktheid zou moeten worden vastgesteld. Ook het door de bezwaarverzekeringsarts K.J. van Haeringen zelf verrichte onderzoek geeft geen aanwijzingen in die richting, noch het rapport van K. Corten. Het rapport van

H.G. Pieper, waarop door appellante in hoger beroep een beroep is gedaan, kan op de beoordeling niet van invloed zijn, nu dit ziet op een periode in 2006 en derhalve niet op de datum in geding.

Gelet op het bovenstaande is de Raad van oordeel dat niet is gebleken dat het Uwv met de beperkingen die zijn aangenomen de mogelijkheden van appellante tot het verrichten van werkzaamheden heeft overschat.

Verder is de Raad van oordeel dat appellante, rekening houdend met de vastgestelde functionele mogelijkheden, in staat moet worden geacht de haar voorgehouden functies te vervullen. Ten aanzien van het beroep van appellante op de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN: AR4719) merkt de Raad nog op dat in de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts van 10 september 2004 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 1 november 2004, voorafgaand aan het bestreden besluit, een toelichting en motivering is gegeven op grond waarvan voldoende inzicht wordt geboden in, en een voldoende mogelijkheid tot toetsing wordt verschaft van, de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige grondslagen en uitgangspunten waarop de schatting berust.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat het bezwaar tegen het primaire besluit ten onrechte ongegrond is verklaard, nu dit onder toepassing van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had dienen te worden herroepen en vordert vergoeding van de met het bezwaar gemoeide kosten.

Ten aanzien van dit geschilpunt stelt de Raad vast dat het dictum van het bestreden besluit niet strookt met de motivering ervan. Gezien de motivering van dit besluit heeft het Uwv kennelijk bedoeld het primaire besluit van 30 juni 2004 te herroepen ten aanzien van de datum van de intrekking van de WAO-uitkering van appellante. De Raad neemt aan dat het bestreden besluit in zoverre een misslag bevat en ziet aanleiding het bestreden besluit in de zojuist bedoelde zin aangevuld te lezen. Dit betekent dat er geen aanleiding bestaat het bestreden besluit op deze grond te vernietigen.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 april 2008.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) A.C. Palmboom.

OA