Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2192

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2008
Datum publicatie
22-05-2008
Zaaknummer
06-5317 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Cognitieve beperkingen objectiveerbaar? Nadere motivering van signaleringen in hoger beroep betreft slechts reservefuncties, die niet gebruikt zijn om de mate van arbeidsongeschiktheid te bepalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/195 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5317 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 31 juli 2006, 05/3251 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C. Peperkamp, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam, hoger beroep in gesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Namens appellante zijn nadere stukken ingezonden, waarop van de zijde van het Uwv is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar opvolgend gemachtigde mr. H.W. Bemelmans, advocaat te Nijmegen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. C. Vork.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is vanwege nek- en schouderklachten (whiplash) ten gevolge van een auto-ongeluk uitgevallen voor haar werkzaamheden als secretaresse bij een aannemersbedrijf. Nadien heeft zij nog drie aanrijdingen gehad. Met ingang van

7 mei 2003 is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 10 mei 2005 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 11 juli 2005 beëindigd, onder de overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

1.3. Bij besluit van 2 november 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij vanwege haar klachten niet in staat is de geduide functies gedurende een volledige werkweek te verrichten.

Ter ondersteuning van dit standpunt heeft zij een rapportage van R.S.H.M. Beijersbergen, neuroloog bij het Neuro-Orthopaedisch Centrum (multidisciplinaire Expertise Groep) te Bilthoven, overgelegd.

Daarnaast is aangevoerd dat appellante betwijfelt of zij in staat is om het voor de functie van sluismeester vereiste diploma Nautop 1 en 2 te halen, omdat in de Functionele Mogelijkhedenlijst (hierna: FML) is aangegeven dat zij regelmatig dingen apart moet opschrijven als geheugensteun om de continuïteit van het handelen te waarborgen en neuroloog Beijersbergen cognitieve beperkingen heeft gesignaleerd.

Voorts is aangevoerd dat in de functies van sluismeester en portier sprake is van wisselende diensten, terwijl appellante niet in wisselende diensten werkzaam is geweest.

Ten slotte is ter zitting aangevoerd dat er sprake is van een motiveringsgebrek, omdat in hoger beroep door de bezwaararbeidsdeskundige nog een aanvullende motivering met betrekking tot de signaleringen is gegeven.

3.2. In zijn rapportage heeft neuroloog Beijersbergen aangegeven dat er in strikt klinisch neurologische zin bijna geen sprake is van afwijkingen. In het kader van het onderzoek heeft in januari 2007 een neuropsychologisch onderzoek plaatsgevonden door psycholoog J. Nusen. Hieruit kwamen weinig consistente resultaten naar voren in die zin dat er weliswaar cognitieve problemen werden vastgesteld, maar er aanwijzingen waren dat de beleving van de klachten van invloed was op de cognitieve klachten, zodat deze niet geobjectiveerd konden worden en niet geplaatst konden worden in het kader van een somatische aandoening. Beijersbergen heeft appellante op verschillende terreinen op diverse items beperkt belastbaar geacht. Ondanks het gegeven dat de door appellante aangegeven cognitieve beperkingen niet geobjectiveerd konden worden heeft hij de overtuiging dat er, gezien de aard van de klachten, wel degelijk problematiek op dit terrein bestaat.

Wat betreft werktijden heeft hij aangegeven dat het slechts bij een lage belastingsgraad mogelijk is om 40 uur per week te werken, hetgeen zeer geleidelijk ingevoerd dient te worden.

4.1. De Raad kan aan de rapportage van neuroloog Beijersbergen niet die waarde hechten die appellante daaraan toekent omdat aan de Raad niet is kunnen blijken dat de conclusies van deze neuroloog voldoende steun vinden in het onderzoek dat daaraan ten grondslag ligt. De beperkingen die hij aangeeft vinden voor de Raad geen duidelijke bevestiging in de neurologische bevindingen of het neuropsychologisch onderzoek. Daarbij merkt de Raad op dat niet is gebleken dat andere artsen hetzelfde standpunt als Beijersbergen innemen.

De verzekeringsarts, de bezwaarverzekeringsarts en de behandelende neuroloog van appellante stelden allen een discrepantie vast tussen de door appellante ervaren klachten en de geconstateerde afwijkingen.

Er ontbreken aanknopingspunten voor de conclusie dat appellante vanwege haar klachten niet de cognitieve vaardigheden heeft om een opleiding te volgen. Daarbij merkt de Raad op dat de bezwaarverzekeringsarts in bezwaar de FML heeft aangepast waardoor bij het item herinneren geen beperking meer is aangegeven.

4.2. Voorts blijft ingevolge artikel 9, aanhef en onder f, van het (aangepaste) Schattingsbesluit, zoals dit vanaf 1 oktober 2004 luidt, alleen nog arbeid die meer dan incidenteel tussen 0.00 uur en 6.00 uur wordt verricht buiten beschouwing, tenzij de gezonde persoon in dergelijke arbeid werkzaam is. Functies met toeslagen voor afwijkende arbeidstijden worden dus niet, zoals voorheen, uitgesloten.

4.3. Aangaande de nadere motivering van de bezwaararbeidsdeskundige bij rapportage van 31 mei 2007 overweegt de Raad dat deze motivering van de signaleringen slechts de reservefuncties betreft. Deze functies zijn niet gebruikt om de mate van arbeidsongeschiktheid te bepalen. De Raad ziet hierin dan ook geen reden om het bestreden besluit vanwege strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht te vernietigen.

4.4. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.W.A. Schimmel.

JL