Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2189

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-05-2008
Datum publicatie
22-05-2008
Zaaknummer
06-4431 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ziekengeld. Arbeidsgeschiktheid onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4431 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 juni 2006, 05/7439 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.G.M. Haase, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld. Opvolgend gemachtigde mr. M. Samama, eveneens advocaat te ’s-Gravenhage, heeft een aanvullend beroepschrift ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2008.

Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan.

II. OVERWEGINGEN

1.Voor de voorgeschiedenis van dit geding verwijst de Raad naar zijn tussen partijen gewezen uitspraak van 11 augustus 2004 (02/5263 ZW).

1.2. Aan die uitspraak ontleent de Raad de navolgende feiten en omstandigheden. Appellant heeft in het verleden gewerkt in een rozenkwekerij. Na beëindiging van de arbeidsovereenkomst is aan hem met ingang van 1 april 1997 een werkloosheidsuitkering toegekend. Appellant heeft nadien, terwijl hij nog een gedeeltelijke werkloosheidsuitkering ontving, gedurende 8 maanden gewerkt in een bakkerij te [vestigingsplaats]. Met ingang van 26 februari 1999 is aan appellant ook terzake van de werkloosheid uit deze betrekking een werkloosheidsuitkering toegekend. Appellant heeft zich op 12 november 1999 vanuit de werkloosheidssituatie wegens psychische klachten ziek gemeld.

2. Terzake van voormeld ziektegeval is aan appellant bij besluit van 26 april 2000 met ingang van deze datum geen ziekengelduitkering meer verstrekt, omdat hij op en na deze datum niet langer arbeidsongeschikt werd geacht.

Bij voormelde uitspraak heeft de Raad het besluit op bezwaar van het Uwv van 15 oktober 2001, waarbij het primaire besluit van 26 april 2000 is gehandhaafd, vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De Raad heeft hierbij overwogen dat zowel het werk in de rozenkwekerij als het werk in de bakkerij als maatstaf voor de beoordeling van de ongeschiktheid tot werken van appellant dient te gelden en dat het Uwv dus ten onrechte het werk in de bakkerij niet in aanmerking had genomen. De omstandigheid dat over dit laatstelijk verrichte werk geen nadere gegevens bekend waren, vormde naar het oordeel van de Raad geen grond om aan deze arbeid zonder meer voorbij te gaan.

3.1. Ter uitvoering van voormelde uitspraak van de Raad heeft het Uwv op 12 september 2005 een nieuw besluit genomen (het bestreden besluit), waarbij het bezwaar tegen het besluit van 26 april 2000 opnieuw ongegrond is verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag een arbeidskundige rapportage waarin wordt geconcludeerd dat de maatstaf arbeid in dit geval wordt gevormd door de combinatie van het werk in de bollenteelt en het werk in de bakkerij, in totaal 38 uur per week.

3.2. Bezwaarverzekeringsarts A.D.C. Huijsmans heeft onder verwijzing naar een in een eerdere fase op verzoek van bezwaarverzekeringsarts J.H. Logger door zenuwarts J.A.H. Koelen op 16 juli 2001 uitgebracht rapport geconcludeerd dat appellant op de datum in geding geschikt was voor elk werk, dus ook voor het werk in een bakkerij en als bollenkweker. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarbij met name van belang geacht dat voornoemde zenuwarts geen psychiatrische ziekte en hooguit een partieel neurastheen syndroom heeft vastgesteld, zodat er in feite geen beperkingen op medisch/psychisch vlak bestonden. De eerdere aanname van de bezwaarverzekeringsarts dat appellant geen onregelmatig werk zou mogen doen zou daarmee niet langer gefundeerd zijn.

4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij overwogen, dat voornoemde bezwaarverzekeringsarts in haar rapportage genoegzaam gemotiveerd heeft aangegeven dat appellant wel in staat moet worden geacht onregelmatig werk te doen en hij derhalve in staat is de maatgevende arbeid te verrichten.

5.1. De Raad kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en heeft het volgende overwogen.

5.2. Uit de stukken blijkt dat appellant destijds in vorenbedoelde bakkerij in nachtdienst werkte. Bezwaarverzekeringsarts J.H. Logger was blijkens een rapport van 29 november 2000, dat ten grondslag heeft gelegen aan het besluit op bezwaar van

5 oktober 2001, van mening dat appellant geschikt moest worden geacht voor eenvoudig, niet cognitief of emotioneel belastend routinematig werk in dagdienst, maar dat werken in sterk onregelmatige e/o nachtdiensten gecontraïndiceerd was. De zenuwarts Koelen, die destijds op verzoek van deze bezwaarverzekeringsarts uitsluitend heeft geoordeeld over appellants geschiktheid voor het werk in de rozenkwekerij, is in zijn rapport van 16 juli 2001 tot de conclusie gekomen dat appellant met het geconstateerde toestandsbeeld niet volledig arbeidsongeschikt was maar dat de arbeidsbeperkingen van betrokkene niet dusdanig waren dat eenvoudig routinematig werk onmogelijk was. Volgens deze specialist had appellant niet dusdanige beperkingen dat deze hem ongeschikt zouden maken voor zijn oude soort werk(zaamheden).

5.3. In aanmerking nemend dat voornoemde specialist op zijn vakgebied arbeidsbeperkingen heeft vastgesteld op grond waarvan voornoemde bezwaarverzekeringsarts op 15 augustus 2001 nader heeft gerapporteerd dat appellant eenvoudig routinematig werk zou kunnen verrichten (in dagdienst), acht de Raad de nadere conclusie van bezwaarverzekeringsarts Huijsmans, dat appellant in feite geschikt zou zijn voor elk werk, dus ook in nachtdienst, onvoldoende onderbouwd.

5.4. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten worden vernietigd.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E. de Bree.

SSw