Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2184

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2008
Datum publicatie
22-05-2008
Zaaknummer
06-5469 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ziekengeld. Medisch onderzoek voldoende zorgvuldig uitgevoerd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5469 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 14 augustus 2006, 06/1771 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.R. Samuel, advocaat te Made, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. S.A.M. Fikken, advocaat te Made, en de tolk M. Amiri. Het Uwv heeft zich, met voorafgaand schriftelijk bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was werkzaam als schoonmaker. Nadien was hij werkloos en ontving een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Vanuit deze uitkeringssituatie heeft hij zich op 29 augustus 2005 ziekgemeld met klachten van duizeligheid, hoofdpijn en vermoeidheid.

Op 28 oktober 2005 is appellant door de arts van het Uwv, J.H.G. Witjens, op het spreekuur gezien, waarbij de diagnose suikerziekte met klachten van algemene malaise werd gesteld en werd appellant vanwege het ontbreken van een bevredigend evenwicht in zijn gezondheidstoestand nog als ongeschikt tot werken in de zin van de Ziektewet (ZW) aangemerkt.

Op 6 december 2005 is appellant wederom op het spreekuur van die arts gezien, die vaststelde dat de diabetes onder controle was. Appellant gaf aan dat de klachten van nek en hoofd hem het meest belemmerden om te werken en dat hij hiervoor ook fysiotherapie had gekregen. Bij medisch onderzoek van de nek was het bewegingspatroon symmetrisch zonder beperkingen en was sprake van een lichte hypertonie links en wat lichte drukpijn ter hoogte van de linkerzijde van het achterhoofd. Bij onderzoek van de schouders waren er zowel actief als passief geen beperkingen en ongestoorde en symmetrische belastbaarheidstests. Mede op basis hiervan kwam deze arts tot de conclusie dat appellant met ingang van 21 december 2005 geschikt was te achten voor het werk als schoonmaker. Bij besluit van 6 december 2005 heeft het Uwv bepaald dat appellant met ingang van 21 december 2005 geen recht meer heeft op ZW-uitkering.

Het bezwaar tegen het besluit van 6 december 2005 werd bij besluit op bezwaar, hierna: bestreden besluit, van 24 februari 2006 ongegrond verklaard. Dit besluit was gebaseerd op het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts, die appellant op de hoorzitting zag, medisch onderzoek verrichtte, het medisch dossier bestudeerde en informatie inwon bij de huisarts, op grond waarvan geconcludeerd werd dat de bezwaren geen aanleiding vormden tot herziening van de medische grondslag waarop het besluit van 6 december 2005 was gebaseerd.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard en heeft in de uitspraak, waarin appellant is aangeduid als eiser, ten aanzien van de gestelde gezondheidsklachten van appellant, waaronder de voor het eerst in beroep aangevoerde schouderklachten, het navolgende overwogen:

“Op grond van de stukken moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de verzekeringsartsen tot een juist medisch oordeel zijn gekomen. Uit de rapportages van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door eiser gestelde klachten, waaronder met name duizeligheids-, nek-en schouderklachten. De bezwaarverzekeringsarts heeft de informatie van de huisarts meegewogen. De rechtbank is van oordeel dat deze informatie, neergelegd in een brief van 15 februari 2006, onvoldoende aanknopingspunten biedt voor het standpunt dat per 21 december 2005 niet in staat is tot het verrichten van zijn werk. De huisarts vermeld dat sprake is van hoofdpijn, waarvoor neurologische analyse heeft plaatsgevonden en geen neurologische afwijkingen zijn vastgesteld. Eiser meldt nekklachten. Een röntgenfoto liet geen afwijkingen zien. Tevens heeft eiser volgens de brief van de huisarts van 15 februari 2006 schouderdysfunctie, waarvoor de huisarts hem nog terug moet zien. Zoals de bezwaarverzekeringsarts heeft opgemerkt, worden hierbij geen onderzoekgegevens vermeld. De rechtbank constateert dat in de rapportage van de verzekeringsarts van

6 december 2005 is vermeld dat toen bij onderzoek van de schouders, zowel actief als passief, geen beperkingen zijn vastgesteld. Voor zover in februari 2006 schouderklachten zijn gemeld, acht de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de gestelde schouderproblemen zich reeds op de datum in geding voordeden. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat zijn schouderklachten sinds ongeveer zeven maanden bestaan. Ook dat wijst er op dat die klachten zich eerst na de datum in geding hebben voorgedaan.

Met betrekking tot de door eiser gestelde duizeligheidsklachten overweegt de rechtbank dat bij onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts daarvoor geen objectieve aanwijzingen zijn gevonden, terwijl de huisarts in zijn brief niet over duizeligheidsklachten heeft opgenomen.

De rechtbank stelt verder vast dat eiser zijn standpunt, dat hij per 21 december 2005 niet geschikt is voor arbeid, niet met (nadere) medische stukken heeft onderbouwd.”

In hoger beroep spitst de zaak zich toe op de vraag of schouderklachten op de datum in geding, 21 december 2005, appellant belemmerden om zijn arbeid te verrichten. De gemachtigde van appellant heeft aangegeven dat het Uwv geen rekening heeft gehouden met de brief van de huisarts van 15 februari 2006, waarin deze spreekt van een schouderdysfunctie waarvoor hij appellant nog terug moest zien. Het had in de rede gelegen dat de bezwaarverzekeringsarts de informatie van de huisarts betreffende de schouderklachten had afgewacht, bij gebreke waarvan geen besluitvorming had mogen plaatsvinden en het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen.

Het Uwv heeft in het verweerschrift bestreden dat het medisch onderzoek onvolledig en onzorgvuldig zou zijn geweest. Daartoe is aangevoerd dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 21 februari 2006 aandacht heeft besteed aan de schouderklachten van appellant en dat er geen aanleiding bestond om de besluitvorming uit te stellen na afronding van het onderzoek door de huisarts (in verband met die schouderklachten). Voorts is aangevoerd dat door appellant op de zitting bij de rechtbank op 3 augustus 2006 is gesteld dat hij ongeveer 7 maanden last had van zijn schouder, hetgeen impliceerde dat deze klachten eerst zijn ontstaan na de datum in geding. Dit blijkt ook uit het medisch rapport in het primaire traject, waarbij ten aanzien van de schouders zowel actief als passief geen sprake was van beperkingen. Deze bevinding wordt ook ondersteund door het bezwaarschrift van appellant, waarin hij melding maakt van diverse klachten maar niet van schouderklachten.

De Raad stelt zich achter de hiervoor aangehaalde overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak en is van oordeel dat hetgeen daartegen in hoger beroep namens appellant is ingebracht, mede gelet op hetgeen in het verweerschrift door het Uwv is aangevoerd, onvoldoende aanknopingspunten biedt om tot een ander oordeel te komen of tot het instellen van een nader medisch onderzoek. De Raad laat daarbij meewegen dat in de loop van de procedure van de zijde van appellant ook geen nadere medische informatie van de huisarts of een specialist is overgelegd die een ander licht werpt op de gezondheidstoestand van appellant, in het bijzonder ten aanzien van de schouderklachten, op de datum in geding.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2008.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) E. de Bree.

CVG