Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2183

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-05-2008
Datum publicatie
22-05-2008
Zaaknummer
06-4360 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hersteldverklaring in kader ZW. Juiste maatstaf arbeid is hier het laatst verrichte werk. Medisch onderzoek voldoende zorgvuldig?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4360 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 19 juni 2006, 05/1698 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A. Scherpenhuysen, advocaat te Harderwijk, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft het Uwv kort voor de zitting telefonisch verzocht zich ter zitting te doen vertegenwoordigen en het kantoor van mr. Scherpenhuysen van dit verzoek telefonisch op de hoogte gesteld.

Op 12 februari 2008 heeft de Raad van het kantoor van mr. Scherpenhuysen een faxbericht ontvangen waarin is meegedeeld dat de kennisgeving voor de zitting niet is ontvangen en de Raad wordt verzocht om in verband met afwezigheid van

mr. Scherpenhuysen een nieuwe datum van behandeling te bepalen. De Raad heeft dat verzoek afgewezen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2008. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van Dalfsen.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting van 13 februari 2008 geschorst en appellant in de gelegenheid gesteld op het proces-verbaal van de zitting van 13 februari 2008 te reageren, hetgeen appellant heeft gedaan bij brief van 10 april 2008. Zowel appellant als het Uwv hebben de Raad toestemming gegeven de zaak zonder nadere zitting af te doen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant heeft zich in december 1997 wegens buikklachten ziek gemeld voor zijn werk als productiemedewerker via een uitzendbureau. Ook was er sprake van rug- en oogklachten. De werkzaamheden bestonden uit het ophangen en afnemen van aluminium onderdelen ten behoeve van de spuitbewerking. Bij verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek werd hij, mede in verband met psychische klachten, volledig arbeidsongeschikt geacht. Met ingang van 7 december 1998 is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De WAO-uitkering is met ingang van 1 oktober 2000 ingetrokken, nadat de verzekeringsarts had vastgesteld dat er objectief gezien geen sprake was van medische beperkingen en dat appellant arbeidsgeschikt was voor de maatgevende arbeid. De verzekeringsarts is bij zijn beoordeling mede afgegaan op inlichtingen van de behandelend internisten van appellant. Bezwaar en beroep tegen de intrekking is ongegrond verklaard.

Aan appellant is een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet toegekend. Vanuit die situatie heeft hij zich op 27 september 2004 ziek gemeld met klachten van hoofdpijn en last van spieren in nek en rug. Toekenning van een WAO-uitkering werd afgewezen omdat geen sprake was van dezelfde ziekteoorzaak als ten tijde van de toekenning van de WAO-uitkering. Op 11 mei 2005 is appellant voor een beoordeling in het kader van de Ziektewet (ZW) door de verzekeringsarts onderzocht. Deze kon geen afwijkingen vinden aan nek en schouders. Wel resteerden enige mictieklachten en een iets verhoogd toiletbezoek daardoor. Het totaal aan klachten overziend zag de verzekeringsarts geen reden voor arbeidsongeschiktheid en achtte hij appellant hersteld in het kader van de ZW.

Bij besluit van 13 mei 2005 heeft het Uwv appellant medegedeeld dat hij op 18 mei 2005 niet (meer) wegens ziekte of gebrek ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid en dat hij daarom met ingang van die datum geen recht (meer) had op ziekengeld. Op 19 mei 2005 is hij opnieuw onderzocht door een andere verzekeringsarts die hem eveneens per 18 mei 2005 arbeidsgeschikt achtte. In het kader van de heroverweging op het bezwaar van appellant tegen de beëindiging van het ziekengeld heeft de bezwaarverzekeringsarts vastgesteld dat er geen medische argumenten waren om af te wijken van het oordeel van de verzekeringsarts. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant op het spreekuur gezien, als relevante diagnose de urologische klachten en nekklachten vermeld en in haar beoordeling ook inlichtingen van de behandelend huisarts van appellant betrokken. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant bij besluit van 6 september 2005 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is, samengevat overwogen dat gelet op de voorhanden zijnde medische rapporten het standpunt van het Uwv dat op 18 mei 2005 geen sprake was van ongeschiktheid tot werken voldoende is onderbouwd. De rechtbank baseerde zich met name op de medische beoordeling van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts. Deze laatste heeft naar aanleiding van een nadere verklaring van de huisarts van 16 februari 2006 vastgesteld dat daaruit en ook uit diens informatie van 17 mei 2005 niet blijkt dat op de datum hier in geding, 18 mei 2005, sprake was van een psychiatrische diagnose of behandeling, terwijl de urologische diagnose ongewijzigd was. De bezwaarverzekeringsarts zag dan ook geen nieuwe medische argumenten om alsnog af te wijken van het eerdere medische oordeel. De rechtbank overwoog voorts dat de verklaring van de huisarts van 10 mei 2006 niet wezenlijk anders was dan de eerder gegeven informatie. De rechtbank volgde het standpunt van het Uwv dat de visie van de huisarts over de ongeschiktheid tot werken van appellant moest worden beschouwd als een andere waardering van de feiten.

De Raad overweegt dat de rechtbank heeft vermeld dat als maatgevende arbeid van appellant in de zin van artikel 19 van de ZW moet worden aangemerkt de gangbare arbeid zoals deze is voorgehouden bij de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAO. De WAO-uitkering is echter ingetrokken op grond van geschiktheid voor de maatgevende arbeid. De juiste maatstaf arbeid is dan ook het laatst verrichte werk. De Raad stelt vast dat uit het rapport van de verzekeringsarts dat aan het primaire besluit ten grondslag ligt en de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts zonder meer blijkt dat deze de juiste maatstaf voor ogen hebben gehad, namelijk de productiemedewerker die de hierboven vermelde werkzaamheden verricht. Dat de verzekeringsarts die appellant op 19 mei 2005 heeft onderzocht, concludeerde tot arbeidsgeschiktheid voor geduide functies kan daar niet aan afdoen, temeer daar deze ook expliciet het oordeel van de verzekeringsarts van 13 mei 2005 onderschreef. Het medisch oordeel, inhoudende dat appellant op 18 mei 2005 voor het werk van productiemedewerker geschikt was, berust naar het oordeel van de Raad op een zorgvuldig onderzoek en een weloverwogen beoordeling van de fysieke en psychische gezondheidstoestand van appellant, waarin ook de medische informatie van de huisarts is betrokken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen. De conclusie van een medisch belastbaarheidsonderzoek van 20 november 2006 dat appellant gezien de klachten en problemen niet belastbaar is met arbeid, kan niet tot een ander oordeel leiden, nu dit onderzoek niet betrekking heeft op de toestand van appellant op de datum in geding en bovendien in het kader van een andere wettelijke regeling heeft plaatsgevonden.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak zij het op enigszins andere gronden voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2008.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) M. Lochs.

JL