Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2181

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2008
Datum publicatie
22-05-2008
Zaaknummer
07-6316 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6316 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 4 oktober 2007, 07-3943 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2008. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door P. [H.]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Knufman.

II. OVERWEGINGEN

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 17 januari 2007 heeft het Uwv de aan appellant over de periode van 1 juni 2005 tot en met 31 mei 2006 onverschuldigd betaalde uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen ten bedrage van € 6.858,22 teruggevorderd.

Bij besluit van 4 mei 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 januari 2007 wegens (niet-verontschuldigbare) overschrijding van de bezwaartermijn kennelijk niet- ontvankelijk verklaard.

De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en daartoe in de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser en het Uwv als verweerder is aangeduid, als volgt overwogen:

“ Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene Wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van het bepaalde in artikel 6:8, eerste lid, Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:9, eerstel lid, Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. In het tweede lid is bepaald dat bij verzending per post een bezwaarschrift tijdig ingediend is indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring ter aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Vast staat dat nu de beslissing in primo dateert van 17 januari 2007, de bezwaartermijn eindigde op 28 februari 2007. Eisers bezwaarschrift, gedateerd op 26 februari 2007, is pas op 20 maart 2007 door verweerder ontvangen. Eiser stelt op tijd bezwaar te hebben gemaakt, echter verweerder stelt dit niet te hebben ontvangen. Eiser heeft niet aangetoond, bijvoorbeeld door het stuk aangetekend te verzenden, dat hij het bezwaarschrift daadwerkelijk op 26 februari 2007 heeft ingediend. Volgens vaste jurisprudentie draagt de indiener van een bezwaar-of beroepschrift in beginsel het risico dat zijn geschrift de geadresseerde nimmer bereikt, wanneer dit niet aangetekend is verzonden en anderszins de ontvangst niet aannemelijk kan worden gemaakt. Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat eisers bezwaar te laat is ingediend. Voorts is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan geoordeeld moet worden dat eiser niet in verzuim is geweest. De Rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het bezwaar van eiser op juiste gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard.”

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat:

- hij abusievelijk het bezwaarschrift naar het verkeerde correspondentieadres van het Uwv heeft gezonden;

- dat de omstandigheid dat het bezwaarschrift in het bezwaarregistratiesysteem van het Uwv niet geregistreerd is niet uitsluit dat het door het Uwv is ontvangen of zoekgeraakt zonder registratie;

- dat de rechtbank het vertrouwen in dit waterdichte bezwaarregistratiesysteem ten onrechte zonder meer van het Uwv heeft overgenomen;

- het Uwv geen enkele keer in de correspondentie met appellant erop gewezen heeft dat op basis van de vaste jurisprudentie de indiener van een bezwaar- of beroepschrift het bewijsrisico draagt als hij zijn geschrift niet aangetekend heeft verzonden;

- alles overziend redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest als bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Ter zitting van de Raad hebben beide partijen gepersisteerd bij hun eerder ingenomen standpunt. De gemachtigde van het Uwv heeft voorts ter zitting aangegeven dat het in de rede ligt dat partijen buiten deze procedure om komen tot een bespreking van het inhoudelijke geschilpunt.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad ziet zich in deze procedure in hoger beroep enkel gesteld voor de beantwoording van de vraag of de aangevallen uitspraak in rechte stand kan houden.

De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe dat hetgeen in hoger beroep is aangevoerd grotendeels een herhaling is van wat in beroep door appellant is aangevoerd en op goede, hiervoor weergegeven gronden door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is verworpen. Hetgeen verder naar voren is gebracht leidt de Raad niet tot de conclusie dat appellant heeft aangetoond dat hij het op 26 februari 2007 gedateerde bezwaarschrift daadwerkelijk voor het verstrijken van de bezwaartermijn op 28 februari 2007 heeft verzonden, dan wel dat gebleken is van omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat appellant in verzuim is geweest.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2008.

(get.) J.F. Bandriga.

(get.) E. de Bree.

CVG