Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2167

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2008
Datum publicatie
21-05-2008
Zaaknummer
06-4786 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Aan de herziening van de uitkering ligt ten grondslag dat betrokkene weer in staat wordt geacht om met haar beperkingen een aantal gangbare functies uit te oefenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4786 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 juni 2006, 05/2676 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.P. van der Veer, werkzaam bij Juridische Dienstverlening Nederland BV te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 4 april 2008. Appellante is, zoals tevoren aangekondigd, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Florijn.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende.

1.1. Appellante ontvangt sinds 1994 een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met haar psychische klachten. Deze uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellante heeft het Uwv bij besluit van 10 maart 2005 per 8 mei 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

35 tot 45%. Bij besluit van 10 augustus 2005 zijn de bezwaren van appellante tegen deze herziening ongegrond verklaard. Aan de herziening van de uitkering ligt ten grondslag dat appellante weer in staat wordt geacht om met haar beperkingen een aantal gangbare functies uit te oefenen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank kan zich vinden in de voor appellante vastgestelde arbeidsbeperkingen en ziet voor het aannemen van een zogenoemde urenbeperking geen reden. Dat de aan de functies verbonden belasting de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt, acht de rechtbank voldoende toegelicht door de bezwaararbeidsdeskundige J. den Hartog via zijn rapportage en zijn toelichting ter zitting van de rechtbank.

3. In hoger beroep is namens appellante gesteld, onder verwijzing naar hetgeen in bezwaar en beroep is aangevoerd en onderbouwd, dat zij maximaal in staat is vier uren per dag te werken. Voorts is aangevoerd dat het Uwv alle mogelijke overschrijdingen en knelpunten bij de duiding van de functies dient te motiveren.

4. Ten aanzien van de medische beoordeling door het Uwv onderschrijft de Raad wat door de rechtbank in de aangevallen uitspraak hieromtrent is overwogen. De Raad ziet evenals de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellante heeft onderschat. Ook de Raad is van oordeel dat door de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal in het licht van de voorhanden medische informatie voldoende overtuigend is gemotiveerd dat een zogenoemde urenbeperking in verband met op ziekte of gebrek terug te voeren beperkingen van appellante in dit geval niet noodzakelijk is.

4.1. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de geschiktheid van appellante voor de drie nog resterende functies door de bezwaararbeidsdeskundige J. den Hartog in het licht van de voor appellante aangenomen beperkingen uitgebreid is toegelicht. De stelling van appellant in hoger beroep dat dat onvoldoende is gebeurd kan de Raad dan ook niet volgen, en is overigens ook niet nader gemotiveerd, zodat voor de Raad ook niet duidelijk is geworden op welke punten de motivering naar de mening van appellante nog tekort schiet.

5. Gelet op het vorenoverwogene dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter, en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.W.A. Schimmel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.W.A. Schimmel.

SSw