Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2158

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-05-2008
Datum publicatie
21-05-2008
Zaaknummer
06-1469 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Juistheid oordeel over belastbaarheid en de daaraan gekoppelde voorgehouden functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1469 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 12 januari 2006, 05/618 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2008. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.T.B. van der Werf.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 19 mei 2004 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 20 juli 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.2. Bij besluit van 21 maart 2005, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het tegen voormeld besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant op 20 juli 2004, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat hij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen met het zogeheten maatmanloon resulteert volgens het Uwv in een verlies aan verdiencapaciteit van 26,66%.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat de rechtbank van oordeel is dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. Voorts stelt de rechtbank vast dat, voor zover appellant in beroep ook de juistheid van het arbeidskundig onderzoek aanvecht dit onderzoek is uitgevoerd conform het vigerende systeem en dat de rechtbank niet is gebleken van onzorgvuldigheden of onjuistheden in dat onderzoek.

3. De Raad begrijpt de stellingen van appellant in hoger beroep aldus dat hij van mening is dat het onderzoek door het Uwv onvoldoende zorgvuldig zou zijn verricht.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak. De Raad is van oordeel dat de medische beoordeling van de in geding zijnde schatting op een juiste en zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat appellants mogelijkheden ten aanzien van het verrichten van arbeid zoals weergegeven in de zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst van 15 april 2004 niet zijn overschat. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de beschikbare gegevens voldoende informatie bevatten omtrent de gezondheidstoestand van appellant op de in geding zijnde datum om tot een verantwoord oordeel te komen. Door appellant zijn (ook) in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die aanleiding zouden kunnen geven tot twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen van het Uwv in aanmerking genomen medische beperkingen.

4.2. De Raad is van oordeel dat terecht door het Uwv is aangenomen dat de drie functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, te weten sorteerder, controleur (SBC-code 111340), produktiemedewerker textiel, geen kleding (SBC-code 272043) en machinebediende voedingsmiddelenindustrie (SBC-code 271091) in medisch opzicht geacht kunnen worden binnen het bereik van appellant te liggen. Met de arbeidskundige rapportages van het Uwv is naar het oordeel van de Raad de geschiktheid van de functies op alle relevante aspecten op een voldoende inzichtelijke en toetsbare wijze gemotiveerd. Ook overigens heeft de Raad in hetgeen door appellant is aangevoerd geen grond gevonden de aangevallen uitspraak voor onjuist te houden. Het hoger beroep slaagt mitsdien niet.

4.3. Tot slot acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2008.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) A. Badermann.

JL