Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2144

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-05-2008
Datum publicatie
21-05-2008
Zaaknummer
05-604 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijk verklaring van het hoger beroep wegens het ontbreken van enig procesbelang. Het Uwv komt geheel tegemoet aan het hoger beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/604 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 december 2004, kenmerk 03/4744 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft het Uwv een nader besluit op bezwaar van 30 november 2007 genomen en de Raad doen toekomen.

Het geding is aan de orde gesteld ter zitting van 27 maart 2008, waar zowel appellant als het Uwv niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij het hiervoor genoemde besluit op bezwaar van 30 november 2007 heeft het Uwv gegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 april 2003. In dat besluit had het Uwv appellant medegedeeld dat aan hem geen uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) werd toegekend, nu de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Bij beslissing op bezwaar van 4 september 2003 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar aanvankelijk ongegrond verklaard. Bij besluit van 30 november 2007 heeft het Uwv bepaald dat aan appellant met ingang van 26 maart 1997 een uitkering in het kader van de WAO wordt toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In een reactie hierop van 26 december 2007 heeft appellant laten weten het eens te zijn met dit besluit. Desgevraagd heeft hij bij brief van 1 februari 2008 aangegeven het hoger beroep niet te willen intrekken.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad stelt vast dat het besluit van het Uwv van 30 november 2007 geheel tegemoet komt aan het hoger beroep van appellant tegen het bestreden besluit, zodat op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep niet wordt geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.

Uit ’s Raads uitspraak van 4 februari 1997, (LJN: ZB6628), volgt dat in zo’n geval belang bij een beoordeling van het bestreden besluit in beginsel is komen te vervallen, tenzij van een dergelijk belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb.

De Raad stelt vast dat appellant een dergelijk verzoek niet heeft gedaan. Nu er tussen partijen thans geen door de Raad te beslechten inhoudelijk geschil meer bestaat, moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van enig procesbelang.

De Raad acht geen termen aanwezig tot vergoeding van proceskosten, nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 133,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2008.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) C. de Blaeij.

IJ