Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD2061

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-05-2008
Datum publicatie
22-05-2008
Zaaknummer
06-5096 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Door betrokkene geen medische gegevens overgelegd die standpunt onderbouwen dat zij nog arbeidsongeschikt was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5096 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 22 augustus 2006, 06/2625 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.J.M. Ackermans, werkzaam bij ARAG rechtsbijstand te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2008. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door B.H.C. de Bruijn.

II. OVERWEGINGEN

Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen.

De Raad ziet in hetgeen in hoger beroep is aangevoerd geen reden voor een ander oordeel dan de rechtbank. In hoger beroep heeft appellante geen medische gegevens overgelegd die haar standpunt onderbouwen dat zij op de datum hier in geding, 6 maart 2006, wegens ziekte of gebreken niet in staat was haar werk als productiemedewerkster gedurende

20 uur per week te verrichten. Daarbij overweegt de Raad dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts de informatie van de GGzE van 10 februari 2006 hebben meegewogen bij hun beoordeling. Zoals blijkt uit de rapportage van 10 april 2006 heeft de bezwaarverzekeringsarts het laatst verrichte werk van productiemedewerkster voor

20 uur per week tevens beoordeeld in het licht van haar nekklachten en haar te volgen therapie. De bezwaarverzekeringsarts is tot de conclusie gekomen, gelet op de omvang van het werk en de omstandigheid dat het werk als licht en niet nekbelastend te bestempelen is, dat appellante in staat moet worden geacht deze arbeid te verrichten.

De door appellante in beroep overgelegde informatie van de huisarts van 9 mei 2006, fysiotherapeut R.J. der Kinderen van 10 mei 2006 en sociaal psychiatrisch verpleegkundige P. Heil van 30 mei 2006, bevat naar het oordeel van de Raad – evenals de rechtbank heeft geoordeeld – geen nieuwe gegevens en leidt dan ook niet tot twijfel aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de rechtbank het beroep van appellante, gericht tegen de beëindiging van de uitkering ingevolge de Ziektewet per 6 maart 2006, terecht ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2008.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) P. van der Wal.

SSw