Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1929

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2008
Datum publicatie
20-05-2008
Zaaknummer
06/6594 REA + 06/6595 REA + 06/6597 REA + 06/6598 REA + 06/6599 REA + 06/6600 REA + 06/6601 REA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen plaatsingsbudget voor werknemers met een ID-baan, die voorafgaand aan de indiensttreding uitsluitend een uitkering van de gemeente ontvingen. Onjuiste toepassing van de Wet REA. Beroep op gelijkheidsbeginsel faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2008, 199

Uitspraak

06/6594 REA

06/6595 REA

06/6597 REA

06/6598 REA

06/6599 REA

06/6600 REA

06/6601 REA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 oktober 2006 in de zaken met de nrs. 06/257 tot en met 06/263, (hierna: aangevallen uitspraak)

in de gedingen tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gevestigd te Amsterdam, (hierna: Uwv),

Datum uitspraak: 16 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft L.J.C.M. Haest, werkzaam bij REA Consultancy B.V. gevestigd te Zundert, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2008. Voor appellante zijn verschenen Haest en mr. W.F. van de Beld, evenals Haest werkzaam bij REA Consultancy B.V. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn medewerker

mr. M.H. Beersma.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten.

1.1. Appellante heeft op grond van artikel 17, eerste lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (hierna: wet REA) bij het Uwv subsidies in de vorm van plaatsingsbudgetten aangevraagd ten behoeve van haar (ex) werknemers [(ex) werknemer 1], [(ex) werknemer 2], [(ex) werknemer 3], [(ex) werknemer 4], [(ex) werknemer 5], [(ex) werknemer 6], en [(ex) werknemer 7] (hierna: zeven arbeidsgehandicapten) met wie zij vóór 1 januari 2002 een arbeidsovereenkomst met betrekking tot een zogenoemde ID-baan tot stand heeft gebracht. Deze zeven arbeidsgehandicapten ontvingen voor de aanvang van hun dienstbetrekking uitsluitend een (bijstands)uitkering van de gemeente.

1.2. Bij afzonderlijke besluiten op bezwaar van 5, respectievelijk 6 en 14 december 2005 heeft het Uwv de weigering van de toekenning van de zeven aangevraagde plaatsingsbudgetten gehandhaafd. Hieraan ligt het standpunt ten grondslag dat het Uwv zich niet bevoegd acht om plaatsingsbudgetten te verstrekken, omdat de zeven arbeidsgehandicapten v??r hun indiensttreding bij appellante uitsluitend een (bijstands)uitkering van de gemeente ontvingen. Het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel heeft het Uwv verworpen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen de besluiten van 5, respectievelijk 6 en 14 december 2005 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en het Uwv heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op de standpunten van partijen zal, voor zover van belang, hierna bij de beoordeling worden ingegaan.

4. Bij de beoordeling zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

4.1. Op 1 januari 2002 waren, voor zover voor dit geding van belang, de volgende algemeen verbindende voorschriften van kracht.

Artikel 17, eerste lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA):

“Het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt op aanvraag een subsidie in de vorm van een plaatsingsbudget aan de werkgever die met een arbeidsgehandicapte als bedoeld in artikel 10, of met een arbeidsgehandicapte anders dan bedoeld in artikel 10, 12 of 13, een dienstbetrekking aangaat voor de duur van tenminste zes maanden.”

Artikel 10 van de Wet REA:

“1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft tot taak de bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces van de arbeidsgehandicapte ten aanzien van wie de werkgever geen verplichting heeft als bedoeld in artikel 8, die

a. recht heeft op een uitkering op grond van de ZW, de WAO, de WAJONG, de WW of de WBIA;

b. verzekerd is op grond van de WAZ, of recht heeft op een uitkering op grond van de WAZ;

c. ingezetene is als bedoeld in artikel 3 van de WAJONG en de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt;

d. als gewezen overheidswerknemer recht heeft op bezoldiging of uitkering in geval van ziekte als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen of recht heeft op een wachtgeld als bedoeld in artikel 1, onderdeel r, van die wet;

2. Uit hoofde van de uitoefening van zijn taak, bedoeld in het eerste lid, verstrekt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan arbeidsgehandicapten instrumenten als bedoeld in hoofdstuk 4 van deze wet en verstrekt het aan werkgevers instrumenten als bedoeld in hoofdstuk 3 van deze wet om indiensttreding van deze personen te bevorderen.”

Artikel 12 van de Wet REA:

“1. De gemeenten hebben tot taak de bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces van arbeidsgehandicapten die:

a. recht hebben op een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet inkomensvoorziening kunstenaars of de Algemene nabestaandenwet en niet tevens recht hebben op een uitkering als bedoeld in artikel 10, eerste lid;

b. als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen zijn geregistreerd en niet worden bedoeld in onderdeel a, of artikel 10 en 11.

2. Uit hoofde van de uitoefening van de taak, bedoeld in het eerste lid, verstrekt het gemeentebestuur binnen het kader van de WIW instrumenten gericht op behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid.

(…)”

Artikel 2 van de Wet inschakeling werkzoekenden (WIW):

“1. De gemeente draagt zorg voor voorzieningen voor in de gemeente woonachtige langdurig werklozen, uitkeringsgerechtigden en jongeren, die kunnen leiden tot inschakeling in het arbeidsproces dan wel die sociale activering en een zelfstandige bestaansvoorziening bevorderen. De eerste zin is van overeenkomstige toepassing voor de persoon die als werkzoekende is geregistreerd bij de Centrale organisatie werk en inkomen en die geen uitkeringsgerechtigde of langdurig werkloze is.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op de uitkeringsgerechtigde waaraan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een uitkering verstrekt.

(…)”

Artikel 13b, eerste lid, van de WIW:

“1. Indien de persoon, bedoeld in artikel 2, eerste lid, alsmede de persoon die uitsluitend recht heeft op een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars, arbeidsgehandicapte is als bedoeld in de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, verstrekt de gemeente ter uitvoering van artikel 12 van die wet op aanvraag aan de werkgever die met de arbeidsgehandicapte, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van die wet, voor de duur van ten minste zes maanden een arbeidsovereenkomst aangaat of hem aanstelt om arbeid te verrichten, een subsidie in de vorm van een plaatsingsbudget als bedoeld in artikel 17 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten.”

Met ingang van 1 januari 2002 is de WIW ingetrokken; per die datum luidt aantal 87b van de Wet REA als volgt:

“1. De artikelen 15 tot en met 21a en de daarop berustende bepalingen, met uitzondering van artikel 16a, zoals deze luidden op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 57 van de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen doch vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I van de Wet van 14 december 2001 houdende wijziging van sociale zekerheidswetten (Belastingplan 2002 V-Sociale zekerheidswetgeving), blijven van toepassing op dienstbetrekkingen die zijn aangegaan tot en met 31 december 2001 en ingeval een werknemer zijn eigen arbeid of een andere functie bij dezelfde werkgever heeft hervat vóór 1 januari 2002 dan wel nadat diens arbeidsplaats is aangepast tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid van die werknemer voor de eigen arbeid voor die datum.

2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert de uit het eerste lid voortvloeiende werkzaamheden uit.

(…)

4. Een aanvraag voor een subsidie op grond van het in het eerste lid bedoelde artikel 16 of 17 of een aanvraag voor een pakket op maat op grond van het in het eerste lid bedoelde artikel 18 kan tot 1 juli 2005 worden ingediend.”

Artikel 7a, van het Besluit uitvoering en financiering WIW (hierna: Besluit) luidt vanaf

1 januari 2002:

“1. De hoogte van de subsidie aan de werkgever, bedoeld in artikel 13b, eerste lid, van de wet bedraagt bij indiensttreding voor onbepaalde tijd € 5 445 voor het eerste jaar,

€ 3 630,-- voor het tweede jaar, en € 1 815,-- voor het derde jaar van het dienstverband met de werkgever.

(…)

6. De gemeente neemt de aanvraag voor de subsidie, bedoeld in dit artikel, niet in behandeling indien de werkgever de aanvraag later dan twee maanden na aanvang van het dienstverband met de arbeidsgehandicapte indient.”

5.1. Appellante heeft het Uwv om plaatsingsbudgetten gevraagd voor het aangaan van dienstbetrekkingen met zeven arbeidsgehandicapten. Deze dienstbetrekkingen zijn in alle gevallen aangegaan v??r 1 januari 2002. Op grond van het in artikel 87b van de Wet REA opgenomen overgangsrecht blijft op dienstbetrekkingen die vóór 1 januari 2002 zijn aangegaan, onder meer artikel 17 van de Wet REA van toepassing, zoals dit luidde op 1 januari 2002.

5.2.1. Ingevolge artikel 17 van de Wet REA, zoals dat artikel op 1 januari 2002 luidde, is het Uwv uitsluitend bevoegd tot het verstrekken van een plaatsingssubsidie, indien een dienstbetrekking wordt aangegaan met een arbeidsgehandicapte als bedoeld in artikel 10, of met een arbeidsgehandicapte anders dan bedoeld in artikel 10, 12 of 13 van de Wet REA.

5.2.2. De plaatsingsbudgetten waar het in deze gedingen om gaat, zijn alle aangevraagd voor arbeidsgehandicapten die v??r hun indiensttreding bij appellante uitsluitend een (bijstands)uitkering ontvingen. Zij zijn op grond hiervan arbeidsgehandicapten als bedoeld in artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet REA. Zij vallen niet onder de doelgroep die is gedefinieerd in artikel 10 van deze wet. Dit heeft tot gevolg dat het Uwv niet bevoegd is tot het verstrekken van plaatsingssubsidies aan appellant voor het aangaan van een dienstbetrekking met de zeven arbeidsgehandicapten. Ten tijde van de indiensttreding van de zeven arbeidsgehandicapten was het gemeentebestuur op grond van het inmiddels vervallen artikel 13b van de WIW, bezien in samenhang met de artikelen 2 van de WIW en 12 van de Wet REA, bevoegd om een plaatsingsubsidie toe te kennen aan een werkgever die een dienstbetrekking aanging met een arbeidsgehandicapte die uitsluitend een (bijstands)uitkering ontving.

5.2.3. Het argument van appellante dat de zeven arbeidsgehandicapten wel onder het bereik van artikel 10 van de Wet REA vallen, omdat zij met haar een dienstbetrekking is aangegaan, is onjuist. Artikel 17 van de Wet REA ziet onmiskenbaar op de situatie die voorafgaat aan het aangaan van de dienstbetrekking waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

5.2.4. Ook het - niet nader gespecificeerde - beroep van appellante op hetgeen in de memorie van toelichting bij de Wet REA is vermeld over de taakverdeling tussen gemeenten en het Uwv faalt. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak onder 2.5.2 met juistheid overwogen dat ook uit de memorie van toelichting blijkt dat de gemeente verantwoordelijk is voor de reïntegratie van arbeidsgehandicapten die geen werkgever meer hebben en die een uitkering ontvangen van de gemeente en dat de gemeente bevoegd is in die gevallen een plaatsingsbudget te verstrekken. De taak van de gemeente is nader uitgewerkt in de artikelen 2 en 13b van de WIW.

5.2.5. Appellante heeft voorts aangevoerd, dat het Uwv een soortgelijke aanvraag als hier in geding bij brief van 18 december 2007 heeft gezonden naar de gemeente Tilburg. Een beleidsmedewerker Innovatie en Strategie van deze gemeente heeft naar aanleiding van het verzoek van appellante om een reactie, per mail aan haar bericht: “Na overleg intern en met de helpdesk werk en subsidie zijn wij tot de conclusie gekomen dat de gemeente Tilburg in deze zaak geen partij is. Het nemen van een beslissing ligt volgens ons bij het UWV.” Appellante vreest zo tussen wal en schip te vallen.

5.2.6. Bedoeld standpunt van de beleidsmedewerker van de gemeente Tilburg kan niet afdoen aan de in de wet dwingendrechtelijk bepaalde bevoegdheidsverdeling tussen het Uwv en de gemeente. Voorts dient ingevolge artikel 7a van het Besluit een aanvraag om een plaatsingsbudget bij het gemeentebestuur te zijn ingediend binnen twee maanden na de aanvang van het dienstverband. Het “tussen wal en schip vallen” is dus het gevolg van het te laat indienen van een aanvraag voor een plaatsingssubsidie door appellante. Dit had appellante kunnen voorkomen door tijdig een aanvraag in te dienen.

5.3.1. Ten slotte heeft appellante een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. In de loop van de procedures bij de rechtbank en de Raad heeft appellante daartoe een groot aantal besluiten van het Uwv in geding gebracht, waarbij plaatsingssubsidies zijn toegekend.

5.3.2. Het Uwv erkent dat in een aantal gevallen sprake is geweest van de toekenning van een plaatsingsbudget ten behoeve van werknemers met een ID-baan die voorafgaand aan de indiensttreding uitsluitend een uitkering van de gemeente ontvingen. Begin 2004 werd Uwv geconfronteerd met een groot aantal aanvragen van werkgevers om met terugwerkende kracht tot een datum gelegen vóór 1 januari 2002 alsnog een plaatsingsbudget te verstrekken ter zake van WIW-dienstbetrekkingen. In oktober 2005 werd binnen het Uwv onderkend dat een aantal van deze aanvragen geen betrekking had op WIW-dienstbetrekkingen, maar op ID-banen. Dat heeft geleid tot een interne instructie van 19 oktober 2005, waarin erop is gewezen dat, anders dan de WIW-dienstbetrekking, de ID-baan geen in de Wet REA uitgesloten dienstbetrekking is. Dat heeft er in de praktijk toe geleid dat in een aantal gevallen ten onrechte zonder meer van een bevoegdheid tot het verstrekken van plaatsingssubsidies in geval van ID-banen is uitgegaan. Dit misverstand is weer rechtgezet bij een interne instructie van 24 november 2005. Gedurende korte tijd heeft er dus onduidelijkheid bestaan. Dit heeft ertoe geleid dat kantoor Almere van het Uwv bij beslissing op bezwaar van 21 november 2005 in zestien gevallen alsnog een plaatsingsbudget heeft verstrekt.

Voor 19 oktober 2005 en na 24 november 2005 zijn soortgelijke aanvragen als die van appellante afgewezen, met één uitzondering. Door toedoen van één medewerker van kantoor Utrecht zijn hangende het beroep bij de rechtbank tegen zeven afwijzingen, mede onder druk van de gemachtigde van de werkgever, foutieve beslissingen genomen. Van een koerswijziging is echter geen sprake.

5.3.4. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Van het grote aantal door appellante ingediende toekenningsbesluiten kan de Raad alleen van een aantal besluiten die de Uwv-kantoren Utrecht en Almere betreffen vaststellen dat deze betrekking hebben op de situatie waarin de in dienst genomen arbeidsgehandicapte vóór zijn indiensttreding uitsluitend een uitkering van de gemeente ontving. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante erkend dat hij ook niet kan aangeven of de betreffende arbeidsgehandicapten voor hun indiensttreding uitsluitend een bijstandsuitkering ontvingen. Met betrekking tot de toekenningsbesluiten van de kantoren Almere en Utrecht heeft het Uwv genoegzaam aangetoond dat deze op fouten berusten. Het feit dat twee kantoren in een relatief beperkt aantal gevallen foute beslissingen hebben genomen kan er niet toe leiden dat het Uwv op grond van het gelijkheidsbeginsel gehouden is deze onjuiste toepassing van de Wet REA ten gunste van appellante te continueren.

6. Uit hetgeen onder 5.1 tot en met 5.3.4 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 april 2008.

(get.) R.M. van Male.

(get.) R.L. Rijnen.

OA1508