Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1910

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-05-2008
Datum publicatie
19-05-2008
Zaaknummer
06-4678 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet meer ongeschikt voor zijn arbeid. Maatgevende arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4678 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 juli 2006, 06/1819 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2008. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. de Graaf.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is werkzaam geweest als machineoperator gedurende 36 uur per week. Op 17 maart 2002 is hij voor deze werkzaamheden uitgevallen wegens spierklachten aan de benen. Bij besluit van 17 april 2003 heeft het Uwv geweigerd om aan appellant met ingang van 16 maart 2003 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Hierbij is aangenomen dat appellant geschikt was voor een aantal functies uit het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem en dat, gelet op de aan de desbetreffende functies te ontlenen loonwaarde, de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg.

Met ingang van 1 februari 2003 is appellant in dienst getreden bij de [werkgeefster] voor 20 uur per week als logistiek medewerker. Per 23 september 2004, op welk moment appellant mede een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, heeft hij zich ziek gemeld wegens klachten aan zijn rechterschouder. Vanaf april 2005 is appellant administratieve werkzaamheden gaan verrichten bij de [werkgeefster] voor 20 uur per week. Op 5 oktober 2005 is appellant onderzocht door de verzekeringsarts in het kader van een beoordeling op grond van de Ziektewet (ZW). Deze heeft geconstateerd dat appellant, naast de bij de WAO-beoordeling aangenomen beperkingen, ook beperkt was met betrekking tot zware belasting van de rechterarm. Volgens de verzekeringsarts was appellant evenwel nog steeds geschikt voor ten minste één van de aan hem in het kader van de WAO voorgehouden functies, bijvoorbeeld de functie van telefonisch verkoper. Gelet hierop heeft de verzekeringsarts appellant weer geschikt geacht voor zijn arbeid.

Bij besluit van 6 oktober 2005 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat met ingang van 10 oktober 2005 geen recht meer bestaat op ziekengeld, omdat hij per die datum niet meer ongeschikt is voor zijn arbeid.

Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Hierbij heeft hij diverse medische inlichtingen uit de behandelend sector ingebracht. Op 30 januari 2006 is appellant in het kader van de hoorzitting gezien door de bezwaarverzekeringsarts, die op 21 maart 2006 een rapport heeft uitgebracht. Hierin is, mede onder verwijzing naar de ingebrachte informatie uit de behandelend sector, een beschrijving gegeven van de bij appellant bestaande functionele beperkingen van de rechterschouder. De bezwaarverzekeringsarts kwam tot de conclusie dat de desbetreffende beperkingen niet dermate ernstig waren dat appellant niet ten minste één van de in het kader van de WAO geselecteerde functies kon vervullen in een omvang van 16 uur per week. Volgens de bezwaarverzekeringsarts was appellant derhalve weer in staat om zijn arbeid te verrichten.

Bij besluit van 28 maart 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 6 oktober 2005 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat in dit geval onder “zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van de ZW moet worden verstaan elk van de aan appellant in het kader van de WAO voorgehouden functies afzonderlijk. Voorts was de rechtbank van oordeel dat appellant terecht geschikt is geacht voor zijn arbeid.

In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij ten onrechte geschikt is geacht voor zijn arbeid.

Naar aanleiding van een door de Raad gestelde vraag heeft het Uwv onder meer een rapport ingezonden van de bezwaarverzekeringsarts van 15 januari 2008. Hierin is aangegeven dat als maatgevende arbeid moet worden aangemerkt het door appellant verrichte administratieve werk voor 20 uur per week in combinatie met de in het kader van de WAO geselecteerde functies voor 16 uur per week. Volgens de bezwaarverzekeringsarts was appellant ook geschikt voor deze combinatie van werkzaamheden.

De Raad overweegt als volgt.

In de eerste plaats stelt de Raad op basis van de gedingstukken vast dat appellant op de hier aan de orde zijnde beoordelingsdatum, 10 oktober 2005, bij de [werkgeefster] administratieve werkzaamheden verrichtte voor 20 uur per week. In het onderhavige geval brengt dat mee dat als maatgevende arbeid moet worden aangemerkt de genoemde administratieve werkzaamheden voor 20 uur per week in combinatie met de voor appellant in het kader van de WAO geschikt geachte arbeid, te weten ten minste één van de aan appellant voorgehouden functies, in een omvang van 16 uur per week. In dit verband verwijst de Raad mede naar zijn uitspraken van 7 januari 2003, LJN: AF3870 en 4 maart 2003, LJN: AF6192.

De bezwaarverzekeringsarts heeft in hoger beroep alsnog deze maatstaf gehanteerd met betrekking tot de in het kader van de ZW in aanmerking te nemen arbeid. In het genoemde rapport van 15 januari 2008 is door de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat appellant in verband met de rechterschouderklachten vooral beperkt was met betrekking tot werken boven schouderhoogte. Volgens de bezwaarverzekeringsarts was appellant op 10 oktober 2005 weer geschikt voor zijn arbeid. In dit verband heeft de bezwaarverzekeringsarts onder meer vermeld dat het door appellant verrichte administratieve werk nauwelijks schouderbelastende werkzaamheden bevatte. Hierbij is aangegeven dat niet boven schouderhoogte hoefde te worden gewerkt en dat het bij deze functie voorkomende reiken beperkt bleef tot reiken tot armlengte. De Raad heeft geen aanleiding gezien om de door de bezwaarverzekeringsarts getrokken conclusie dat appellant op 10 oktober 2005 niet meer ongeschikt was voor zijn arbeid, niet te onderschrijven. Hierbij heeft de Raad mede in aanmerking genomen dat appellant geen medische stukken heeft ingebracht die aanleiding zouden kunnen geven tot twijfel aan de medische beoordeling.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet, nu het Uwv eerst in hoger beroep de juiste maatstaf heeft gehanteerd met betrekking tot de in aanmerking te nemen arbeid, aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor in eerste aanleg verleende rechtsbijstand. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten die in hoger beroep zijn gemaakt, is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant betaalde griffierecht van € 143,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2008.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) P. van der Wal.

SSw