Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1909

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-05-2008
Datum publicatie
19-05-2008
Zaaknummer
06-4779 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen herziening en WAO-uitkering heeft betrokkene voorafgaand aan de ziekmelding werkzaamheden verricht. De laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid is de maatstaf arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4779 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 5 juli 2006, 06/1925 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.J. van der Meulen, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2008. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

B.H.C. de Bruijn.

II. OVERWEGINGEN

Appellante heeft zich op 15 april 2003 ziek gemeld voor haar werk als oproepkracht bij een wasserij wegens psychische en lichamelijke klachten. Bij verzekeringsgeneeskundig onderzoek is vastgesteld dat haar belastbaarheid beperkt was, maar dat zij met inachtneming van haar beperkingen in staat was werkzaamheden te verrichten. De arbeidsdeskundige heeft uit het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) vier voor appellante geschikt te achten functies geselecteerd. Uitgaande van haar maatgevende werkzaamheden als inpakster cleanroom bij Philips werd het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 17,8%. Met ingang van 9 april 2004 heeft het Uwv appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Het bezwaar van appellante tegen deze toekenning is ongegrond verklaard.

Aan appellante is een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet toegekend. Vanuit die situatie heeft zij zich op 27 oktober 2005 ziek gemeld na een val van de trap waarbij zij haar linker pols brak. Op 2 februari 2006 is zij door de verzekeringsarts onderzocht, die een normale onbeperkte polsfunctie vaststelde en haar ondanks resterende beperkingen met ingang van 6 februari 2006 geschikt achtte voor het eigen werk. In het rapport van de verzekeringsarts staat onder Arbeidsgegevens vermeld: “Werkomschrijving volgens verzekerde: productiewerk via ub. Verwijzing naar eerder geduide functies: zie rapport ad”. Bij besluit van 6 februari 2006 heeft het Uwv appellante medegedeeld dat zij met ingang van die datum geen recht (meer) heeft op ziekengeld. In de bezwaarfase is appellante op 3 april 2006 in het kader van de hoorzitting op het spreekuur bij de bezwaarverzekeringsarts geweest, die na onderzoek de bevindingen van de verzekeringsarts bevestigde. Als haar werkzaamheden/beroep vermeldde de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 3 april 2006 de arbeidsmogelijkhedenlijst van de laatste WAO-beoordeling. Bij besluit van 11 april 2006 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is, samengevat overwogen dat het Uwv terecht heeft bepaald dat appellante vanaf 6 februari 2006 niet meer arbeidsongeschikt is voor het verrichten van de werkzaamheden zoals deze haar zijn voorgehouden tijdens de WAO-beoordeling, gelet op de rapportages van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts, waarbij tevens informatie van de huisarts van appellante is betrokken.

In hoger beroep heeft appellante zich, samengevat, op het standpunt gesteld dat haar psychische en lichamelijke klachten haar ongeschikt maken voor haar (eigen) werk.

Naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft het Uwv de Raad bij brief van 13 maart 2008 schriftelijke inlichtingen verstrekt over door appellante na de herziening van haar WAO-uitkering verrichte werkzaamheden. Ter zitting van de Raad is daarop van de zijde van het Uwv een nadere aanvulling en toelichting gegeven. Gebleken is dat appellante in de periode van 9 april 2004 tot 27 oktober 2005 diverse periodes voor uitzendbureau [naam uitzendbureau] heeft gewerkt, namelijk van 13 tot en met 24 september 2004, van 29 november 2004 tot en met 24 december 2004, van 11 tot en met 15 april 2005, van 8 tot en met 12 augustus 2005, van 22 augustus 2005 tot en met 9 september 2005 en van 19 tot en met 30 september 2005. Aard en omvang van de verrichte werkzaamheden heeft het Uwv niet kunnen achterhalen, behoudens, zoals namens het Uwv ter zitting is verklaard, dat uit het werkbriefje over de periode van 26 tot en met 30 september 2005 blijkt dat appellante toen 8 uur per dag, in totaal 40 uur, heeft gewerkt. Gelet op een curriculum vitae van appellante in het WW-dossier zou het gaan om productiewerk zoals inpak-, assemblage- en controlewerkzaamheden. Het Uwv wijst erop dat de ziekmelding van 27 oktober 2005 vanuit de WW is gedaan en dat de na 9 april 2004 verrichte arbeid via uitzendbureau [naam uitzendbureau] niet heeft geleid tot toekenning van een WW-uitkering. Nu appellante sinds 9 april 2004 een WAO-uitkering en een WW-uitkering ontvangt, deze WW-uitkering is toegekend in verband met een theoretische WAO-schatting en het recht op ZW-uitkering voortvloeit uit de per 9 april 2004 toegekende loongerelateerde WW-uitkering, is het Uwv van mening dat de geduide functies de maatstaf vormen voor de ZW. In dat verband verwijst het Uwv naar de uitspraak van de Raad van 20 december 2006 (LJN: AZ4977).

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 19 van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, recht op ziekengeld.

Bij herhaling heeft de Raad vastgesteld dat onder arbeid in voormelde zin dient te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt volgens vaste jurisprudentie van de Raad in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf arbeid geldt arbeid, zoals nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van zijn aanspraak op een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

De Raad ziet in hetgeen het Uwv heeft aangevoerd geen grond in dit geval af te wijken van het uitgangspunt dat de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid de maatstaf arbeid in de zin van artikel 19 van de ZW is. De Raad overweegt dat het dossier duidelijke aanwijzingen bevat dat appellante in de periode tussen de herziening van de WAO-uitkering en de ziekmelding per 27 oktober 2005 werkzaamheden heeft verricht. Uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 3 april 2006, dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, blijkt echter dat de voor de herziening van de WAO-uitkering geselecteerde functies als haar arbeid in de zin van de ZW zijn aangemerkt. De Raad stelt vast dat aldus een onjuiste maatstaf is gehanteerd. De werkzaamheden, genoemd in het curriculum vitae van appellante in het WW-dossier, kan de Raad in dit verband niet als maatstaf arbeid aanvaarden, nu daarmee nog geen gegevens over aard en zwaarte van het laatstelijk feitelijk verrichte werk voorliggen, evenmin als een medische beoordeling van de geschiktheid van appellante voor dat werk. De uitspraak waarnaar het Uwv heeft verwezen, acht de Raad hier niet relevant, nu het daar niet ging om een ziekmelding vanuit een WW-uitkeringssituatie na een herziening van een WAO-uitkering op grond van geschiktheid voor gangbare functies.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand is gekomen en om die reden niet in stand kan blijven. Daaruit volgt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Het Uwv dient met inachtneming van deze uitspraak van de Raad een nieuw besluit op het bezwaar van appellante te nemen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 143,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2008.

(get.) M.C.M. van Laar.

(get.) P. van der Wal.

JL