Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1878

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-05-2008
Datum publicatie
19-05-2008
Zaaknummer
07-448 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Plicht tot arbeidsinschakeling. Niet verschenen voor gesprek. Opschorting en intrekking bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/448 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 14 december 2006, 06/1144 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade (hierna: College)

Datum uitspraak: 13 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. Bovenkamp, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 1 april 2008, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellant ontvangt geruime tijd een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

De re-integratiemogelijkheden van appellant zijn tijdens de met hem gevoerde gesprekken op 10 maart 2005 en 25 juli 2005 beoordeeld. Naar aanleiding hiervan is appellant tot 15 september 2005 ontheffing verleend van een aantal in artikel 9 van de WWB genoemde verplichtingen gericht op de arbeidsinschakeling. Daarbij is afgesproken dat in afwachting van de resultaten van een medische ingreep de re-integratie opnieuw zou worden beoordeeld in september 2005.

Vervolgens is appellant op 27 september 2005 opgeroepen voor een gesprek op 4 oktober 2005. Daarop heeft hij gereageerd bij brief van 30 september 2005. Uit deze brief is af te leiden dat appellant het niet zinvol acht zijn medische informatie met zijn contactpersoon te bespreken en dat hij een door de GGD te verrichten medische keuring aangewezen acht. Op een herhaalde oproep volstaat appellant met een verwijzing naar zijn brief van 30 september 2005. Vervolgens wordt appellant opgeroepen voor een gesprek op 29 november 2005 waarbij wordt aangegeven dat de contactpersoon appellant ondanks de inhoud van zijn brief van 30 september 2005 wil spreken. Appellant verschijnt niet en herhaalt bij brief van 25 november 2005 dat een medische keuring aan de orde is.

De weigering van appellant te verschijnen op het gesprek op 29 november 2005 is voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 20 december 2005 het recht op bijstand met ingang van 1 december 2005 op te schorten. Het College heeft daarbij een toelichting gegeven op de noodzaak voor een op 12 januari 2006 te voeren gesprek en heeft appellant voorts meegedeeld dat de bijstand wordt ingetrokken indien hij niet verschijnt op dit gesprek.

Bij besluit van 12 januari 2006 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 1 december 2005 ingetrokken omdat appellant geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid zijn verzuim te herstellen door op 12 januari 2006 op gesprek te komen.

De tegen de besluiten van 20 december 2005 en 12 januari 2006 gemaakte bezwaren heeft het College bij besluit van 21 maart 2006 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het besluit van 21 maart 2006 ongegrond verklaard. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Opschorting

Op grond van artikel 54, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB kan het college, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft.

De Raad is van oordeel dat appellant, door geen gehoor te geven aan de oproep voor een gesprek op 29 november 2005, zich niet bereid heeft getoond mee te werken aan het onderzoek met betrekking tot zijn re-integratie. Het standpunt van appellant dat hij zijn medische gegevens niet met zijn contactpersoon wenste te bespreken en dat het slechts aan de GGD was om hem medisch te keuren, leidt de Raad niet tot het oordeel dat appellant van dit verzuim geen verwijt kan worden gemaakt. Indien appellant in de veronderstelling verkeerde, wat hier ook van zij, dat het gesprek er louter toe diende om - tegen zijn wil - medische informatie uit te wisselen, had het op zijn weg gelegen dit met zijn contactpersoon te bespreken. Voorts kan de Raad appellant niet volgen voor zover hij heeft aangevoerd dat het verzuim hem niet kan worden aangerekend gelet op de vergelijkbare omstandigheden die zich hebben voorgedaan ten tijde van een opschorting en beëindiging van de bijstand ingaande 18 januari 2000. Daarbij overweegt de Raad dat destijds juist de oproep voor een medische keuring bij de GGD bij appellant op bezwaren stuitte en de hierop aansluitende oproep voor een gesprek met de contactpersoon niet gebaseerd was op de onderhavige, op grond van de sedert 1 januari 2004 van kracht zijnde wettelijke verplichting van het College bij de uitvoering van de WWB de nakoming van de verplichtingen inzake de arbeidsinschakeling te beoordelen en de arbeidsinschakeling te ondersteunen.

Dit leidt tot de conclusie dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan zodat het College bevoegd was tot opschorting van het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 december 2005.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van de bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Intrekking

Artikel 54, vierde lid, van de WWB bepaalt dat het college, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

Vaststaat dat appellant geen gebruik heeft gemaakt van de bij besluit van 20 december 2005 gegeven mogelijkheid zijn verzuim te herstellen door alsnog op 12 januari 2006 te verschijnen op de oproep voor een gesprek. Appellant heeft daarbij dezelfde argumenten aangevoerd als tegen het besluit van 20 december 2005. De Raad heeft hiervoor reeds vastgesteld dat appellant ter zake verwijt treft door niet op de oproep van 29 november 2005 te verschijnen. Dat appellant desondanks op 12 januari 2006 wederom niet is verschenen, is hem dan ook wel degelijk aan te rekenen.

De Raad komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat het College bevoegd was tot intrekking van de bijstand van appellant op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB. In hetgeen appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en R.H.M. Roelofs en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) W. Altenaar.

AR060508