Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1873

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-05-2008
Datum publicatie
19-05-2008
Zaaknummer
07-890 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag. Ingangsdatum. Geen toekenning bijstand met terugwerkende kracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/890 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 januari 2007, 05/9579 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 13 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.L. Plokker, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2008. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Darwish, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij besluit op bezwaar van 15 februari 2005 is appellant met ingang van 7 december 2001 een verblijfsvergunning verleend.

Appellant heeft zich vervolgens op 18 februari 2005 gemeld bij de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI) met een verzoek om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van deze melding heeft appellant op 9 maart 2005 een aanvraag om bijstand ingevolge de WWB ingediend.

Bij besluit van 7 april 2005 heeft het College appellant met ingang van 18 februari 2005 bijstand ingevolge de WWB toegekend naar de norm voor een alleenstaande.

Bij besluit van 29 november 2005 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 april 2005 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het College overwogen dat niet eerder dan op 18 februari 2005 een melding bij de CWI heeft plaatsgevonden met een verzoek om bijstand en dat geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken op basis waarvan bijstand kan worden verstrekt met terugwerkende kracht, meer in het bijzonder met ingang van de datum waarop de verblijfsvergunning van appellant is verleend.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 november 2005 ongegrond verklaard.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 43, eerste lid, van de WWB, stelt het college het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag vast. In artikel 44, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake de toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of de melding bij de CWI heeft plaatsgevonden. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

Niet is komen vast te staan dat appellant al vóór 18 februari 2005 daadwerkelijk een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Evenmin is gebleken dat appellant voor 18 februari 2005 op zodanige wijze actie richting het College heeft ondernomen dat die tot het innemen van een aanvraag om bijstand had moeten leiden.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of het College in de door appellant aangevoerde omstandigheden aanleiding had moeten vinden hem met ingang van een eerdere datum dan 18 februari 2005 bijstand toe te kennen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat die vraag ontkennend dient te worden beantwoord. De toekenning van een verblijfstitel aan appellant op 15 februari 2005 met terugwerkende kracht tot 7 december 2001 kan niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheid die tot toekenning van bijstand met terugwerkende kracht moet leiden.

Appellant heeft aangevoerd dat hij ernstig ziek is en mitsdien niet in staat was en is om in zijn eigen onderhoud te voorzien als gevolg waarvan hij schulden heeft moeten maken. Hierin ziet appellant bijzondere omstandigheden op basis waarvan bijstand met terugwerkende kracht dient te worden toegekend. De Raad volgt appellant hierin niet, reeds omdat appellant niet heeft aangetoond dat hij in de periode voorafgaande aan 18 februari 2005 niet heeft voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Voorts is niet aannemelijk geworden dat in die periode in betekenende mate schulden zijn ontstaan waaraan een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden. De Raad acht in dit kader van belang dat appellant in de periode voorafgaand aan 18 februari 2005 door zijn familie is ondersteund.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel van appellant slaagt evenmin, reeds omdat de door appellant naar voren gebrachte gevallen blijkens het verweerschrift en het verhandelde ter zitting van de Raad niet in alle opzichten vergelijkbaar zijn, zodat van ongelijke behandeling van gelijke gevallen niet kan worden gesproken.

Naar het oordeel van de Raad bestaat er gezien de vorenstaande feiten, bezien in onderling verband en samenhang, geen grond voor het oordeel dat het College de ingangsdatum van de bijstand op een eerdere datum dan 18 februari 2005 had moeten vaststellen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Bagga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2008.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) S.R. Bagga.

AR060508