Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1868

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-04-2008
Datum publicatie
19-05-2008
Zaaknummer
07-96 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering wegens meerinkomen en OV-schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/96 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 14 december 2006, 06/1861 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep)

Datum uitspraak: 25 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld en de IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2008.

Appellante is niet verschenen. De IB-Groep heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 11 mei 2006 (bestreden besluit) heeft de IB-Groep, beslissende op bezwaar, de aan appellante opgelegde vordering wegens meerinkomen voor het jaar 2001 (na een kleine correctie) alsmede de opgelegde OV-schuld gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen dat besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de hoogte van de bijverdiensten niet in geschil is en dat de IB-Groep in redelijkheid heeft kunnen afzien van het toepassen van de hardheidsclausule nu geen sprake is van individuele omstandigheden van (zeer) bijzondere aard die nopen tot afwijking van de wettelijke bepalingen.

Appellante is van mening dat er wel redenen zijn om de hardheidsclausule toe te passen. Zij heeft er op gewezen dat zij hoge ziektekosten heeft en dat zij haar OV-kaart niet kon inleveren omdat zij deze dan, doordat zij inmiddels 30 jaar was geworden, definitief kwijt zou zijn. Voorts heeft zij gesteld dat de IB-groep zowel voor het jaar 2001 als voor de jaren 2002 en 2003 van een te hoog inkomen is uitgegaan.

Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.

De Raad voegt daar nog het volgende aan toe.

Appellante heeft haar stelling dat de IB-Groep van een te hoog inkomen is uitgegaan, niet onderbouwd; in de beschikbare stukken is voor dit standpunt evenmin steun te vinden. Aangaande de jaren 2002 en 2003 overweegt de Raad dat het bestreden besluit alleen gaat over het jaar 2001, zodat de Raad over de andere jaren thans geen oordeel kan geven.

Met betrekking tot appellantes beroep op de hardheidsclausule verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 26 januari 2007 (te vinden op rechtspraak.nl onder nummer LJN AZ7267). In die uitspraak heeft de Raad de vaste gedragslijn van de IB-Groep bij de toepassing van de hardheidsclausule ten aanzien van artikel 3.17, tiende lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) geaccepteerd. Voor wat betreft de toepassing van die gedragslijn in het onderhavige geval wijst de Raad erop dat appellante niet heeft voldaan aan de van die gedragslijn deel uitmakende voorwaarde om na de overschrijding van de vrije voet met enige voortvarendheid en uit eigen beweging de IB-Groep van die overschrijding op de hoogte te stellen en met terugwerkende kracht om stopzetting van de studiefinanciering te verzoeken. Dat appellante daardoor vanwege het bereiken van de leeftijd van 30 jaar haar recht op studiefinanciering (inclusief OV-kaart) definitief kwijt zou zijn geraakt, leidt niet tot een ander oordeel.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 april 2008.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

TM