Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1807

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2008
Datum publicatie
20-05-2008
Zaaknummer
06/4240 WAO, 06/5738 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Psychische klachten. Weigering verhoging WAO. Nader besluit in hoger beroep. Geen nadere medische informatie. Onvoldoende aanknopingspunten om de uitkomst van het medisch onderzoek voor onjuist te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4240 WAO en 06/5738 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 mei 2006, 05/1792 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

Datum uitspraak: 7 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.A. Madern, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2008. Appellant is, met berichtgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Hey.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, voorheen werkzaam als productiemedewerker in een munitiefabriek, is voor dit werk op 1 februari 1990 uitgevallen wegens psychische klachten. Met ingang van 29 januari 1991 ontvangt appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk per 19 december 2002 is berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Bij brief van 17 juni 2004 heeft appellant verzocht om verhoging van zijn WAO. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de verzekeringsarts M. Molenaar appellant op het spreekuur van 5 augustus 2004 onderzocht. Om meer duidelijkheid te verkrijgen over de belastbaarheid van appellant heeft de verzekeringsarts informatie opgevraagd bij de behandelend psychiater. Zoals is aangegeven in haar rapportage van 1 oktober 2004, concludeert Molenaar dat appellant vanaf 1 oktober 2003 toegenomen beperkt moet worden geacht op grond van licht depressieve klachten bovenop de reeds aanwezige dysthyme stoornis. Met inachtneming van deze beperkingen heeft de verzekeringsarts de functionele mogelijkheden van appellant vastgelegd in een zogeheten Functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 4 oktober 2004. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige R. Smit op 2 november 2004 rapport uitgebracht. In dit rapport is zij tot de conclusie gekomen dat appellant in ieder geval geschikt kan worden geacht voor drie functies die vanuit het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) werden verkregen. Op basis van deze functies heeft zij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op 39,71%. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 4 november 2004 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 28 april 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Bij besluit van 30 juni 2005 (hierna: bestreden besluit I) heeft het Uwv, na een heroverweging door de bezwaarverzekeringsarts, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 november 2004 ongegrond verklaard.

Bij aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de medische grondslag van bestreden besluit I onderschreven, daarbij onder meer overwegend dat zij in de gedingstukken geen aanknopingspunten ziet voor de stelling van appellant dat hij op de datum in geding, te weten 28 april 2003, verdergaand beperkt moet worden geacht dan door de verzekeringsarts is aangenomen. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit I desondanks gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, waarbij zij het Uwv heeft opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van haar uitspraak, zulks met bepalingen over griffierecht en proceskosten. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat de functies die ten grondslag zijn gelegd aan de schatting, zijn geactualiseerd op een datum die is gelegen na de datum in geding waardoor de functies onvoldoende realiteitswaarde hebben.

In hoger beroep heeft appellant – kort weergegeven – aangevoerd dat de verzekeringsarts ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de verminderde cognitieve prestaties, waaronder geheugenverlies, zoals vermeld in het rapport van Heliomare van 24 oktober 2003. Nu de bevindingen van Heliomare niet overeenkomen met de bevindingen van het Uwv bestaat aanleiding een onafhankelijk psychiater te benoemen, aldus appellant.

Hangende het hoger beroep heeft het Uwv een nieuw besluit op bezwaar genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, gedateerd 21 september 2006 (hierna: bestreden besluit II). Bij dit besluit is het bezwaar van appellant opnieuw ongegrond verklaard.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad ziet aanleiding om, onder toepassing van het bepaalde in de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bij de behandeling van het hoger beroep tevens een oordeel te geven over het bestreden besluit II, nu met dit nadere besluit niet tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellant. De Raad stelt vervolgens vast dat het belang van appellant in deze zaken is gelegen in de behandeling van het beroep tegen het bestreden besluit II en dat hij geen procesbelang meer heeft bij de behandeling van het hoger beroep. Het hoger beroep zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. Wat betreft het beroep tegen het bestreden besluit II overweegt de Raad het volgende.

Het medisch oordeel van de verzekeringsarts is gebaseerd op dossiergegevens en onderzoek. Daarbij heeft de verzekeringsarts, gelet op haar rapportage van 5 augustus 2004, de rapporten van revalidatiearts H.W.J. Rockx van Heliomare Arbeidsintegratie van 6 maart 2003 en van psycholoog M. van Dormolen van 24 oktober 2003 meegewogen bij de beoordeling. De conclusie dat bij appellant sprake is van een toename van de beperkingen heeft zij voorts mede gebaseerd op informatie van de psychiaters Smeets-Janssen en H.I. Kuipers van 31 augustus 2004. Bezwaarverzekeringsarts W. Ebbelaar heeft op basis van zijn bevindingen tijdens de hoorzitting van 15 februari 2005, de informatie van de behandelend psychiater en dossieronderzoek, geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat om af te wijken van het primaire medisch oordeel. De Raad is gelet op het vorenstaande – evenals de rechtbank heeft overwogen – van oordeel dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Nu in hoger beroep geen nadere medische informatie is overgelegd op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts, ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten om de uitkomst van het medisch onderzoek voor onjuist te houden. Voor het benoemen van een onafhankelijk psychiater ziet de Raad dan ook geen aanleiding.

Ten aanzien van de arbeidskundige onderbouwing overweegt de Raad het volgende.

Het Uwv heeft de Raad een rapport van bezwaararbeidsdeskundige M. van Osch van 20 september 2006 doen toekomen. Dit rapport heeft als grondslag gediend voor bestreden besluit II. De bezwaararbeidsdeskundige achtte de functies productiemedewerker industrie, huishoudelijk medewerker en inpakker (handmatig), na hernieuwde raadpleging van het CBBS, voldoende actueel en passend voor appellant. Naar het oordeel van de Raad heeft Van Osch, onder verwijzing naar de motivering van de geschiktheid van de functies in bovengenoemd rapport, toereikend gemotiveerd waarom de voor de schatting gebruikte functies door appellant kunnen worden vervuld.

Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het beroep gericht tegen betreden besluit II ongegrond moet worden verklaard.

De Raad ziet aanleiding om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in proceskosten tot een bedrag van in totaal € 322,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2008.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) E. de Bree.

CVG