Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1805

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2008
Datum publicatie
20-05-2008
Zaaknummer
06-5080 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt tot het verrichten van zijn arbeid. Zorgvuldig onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5080 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 18 juli 2006, 05/8112 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Verbraaken-Vooys, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Verbraaken-Vooys. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.H.K. Pouwelse.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is werkzaam geweest als toezichthouder in een zwembad van een hotel.

In verband met knieklachten heeft hij deze werkzaamheden moeten staken. Een poging om hem te re-integreren in een andere functie is vanwege de polsklachten van appellant niet gelukt. Appellant ontving vanaf 1 april 2004 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Met ingang van 6 augustus 2004 is appellant op oproepbasis gaan werken als koerier. Appellant heeft zich per 19 oktober 2004 ziek gemeld in verband met knie- en rugklachten. Een verzekeringsarts heeft appellant laatstelijk op het spreekuur van 22 maart 2005 gezien. Een verschil van mening over de vraag of appellant opnieuw te laat op het spreekuur was verschenen heeft geleid tot een woordenwisseling met de arts en uiteindelijk tot ingrijpen door de beveiliging. Mede op basis van zijn waarnemingen tijdens het spreekuur is de verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat appellant zich onbeperkt beweegt en dat zijn arm- en polsklachten zijn verdwenen. Appellant werd weer geschikt geacht voor zijn laatstelijk verrichte arbeid.

Bij besluit van 29 maart 2005 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij met ingang van 29 maart 2005 geen recht meer had op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW), omdat hij toen niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat op het spreekuur op 22 maart 2005 niet is gesproken over zijn arbeidsongeschiktheid en toen evenmin een beoordeling vanuit medisch oogpunt heeft plaatsgevonden. Bij besluit van 19 oktober 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv na een heroverweging door een bezwaarverzekeringsarts het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat uit de onderzoeken van de (bezwaar)verzekeringsartsen voldoende gegevens naar voren zijn gekomen om tot een afgewogen oordeel te komen omtrent de voor appellant geldende beperkingen. De door appellant in het geding gebrachte medische stukken hebben de rechtbank niet tot twijfel geleid, omdat de brieven van de huisarts en de neuroloog door de bezwaarverzekeringsarts zijn beoordeeld en de brief van de orthopedisch chirurg geen wezenlijk nieuwe feiten aandraagt, anders dan dat appellant bekend is met knieklachten waarvoor hij conservatief met fysiotherapie wordt behandeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts de conclusie van de verzekeringsarts terecht onderschreven.

Onder verwijzing naar de medische stukken die tijdens de procedure in eerste aanleg zijn ingediend houdt appellant in hoger beroep staande dat hij vanwege zijn knie- en polsklachten op en na 29 maart 2005 niet in staat was de maatgevende arbeid te verrichten. MRI-onderzoek in 2003 heeft uitgewezen dat sprake is van ernstige gonarthrotische afwijkingen van de rechterknie alsmede een scheur van de meniscus en van de voorste kruisband. Voorts heeft neuroloog Verkijk bij onderzoek in 2005 vastgesteld dat sprake is van een carpaal tunnelsyndroom (CTS) aan de beide polsen. Appellant is van mening dat tijdens het spreekuur op 22 maart 2005 geen daadwerkelijke keuring heeft plaatsgevonden en dat zijn klachten nog onverminderd voortduren en zelfs zijn toegenomen. Aan het werk als koerier is inherent dat regelmatig trappen moeten worden beklommen om goederen af te leveren, waartoe appellant niet in staat was.

De Raad overweegt het volgende.

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag het rapport dat bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn op 14 oktober 2005 heeft uitgebracht. Deze arts heeft appellant lichamelijk onderzocht en daarbij in het bijzonder aandacht besteed aan de knie- en polsklachten. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts informatie ingewonnen bij de huisarts van appellant en de behandelend neuroloog. De huisarts heeft in het schrijven van 31 augustus 2005 alleen melding gemaakt dat appellant recentelijk is onderzocht in verband met rugklachten, waarvoor als diagnose lumbago is gesteld. Neuroloog Verkijk heeft gerapporteerd dat bij onderzoek op 29 juni 2005 als diagnose voor de handklachten is gesteld: CTS, links borderline en rechts duidelijk. De bezwaarverzekeringsarts is tot de conclusie gekomen dat de rechterknie geen duidelijke functiebelemmering laat zien, terwijl de rechterhand een belastbaarheidsvermindering laat zien ten aanzien van frequent repetitieve handelingen met name van krachtige aard, hetgeen zich in de maatgevende arbeid niet voordoet.

Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts een zorgvuldig onderzoek verricht en is op basis van het eigen onderzoek en de verkregen gegevens tot een weloverwogen oordeel gekomen. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant op zich niet bestreden dat dit onderzoek met de nodige zorgvuldigheid is uitgevoerd, maar heeft benadrukt dat dit onderzoek ruim zes maanden na de datum hier in geding heeft plaatsgevonden en derhalve geen juist beeld gaf over de gesteldheid van appellant op die datum. De Raad acht niet aannemelijk dat de bezwaarverzekeringsarts zijn oordeel heeft gebaseerd op de gezondheidstoestand van appellant ten tijde van het onderzoek op 14 oktober 2005. Gelet op de vraagstelling in het rapport heeft de bezwaarverzekeringsarts zich gebogen over de medische toestand van appellant per 29 maart 2005. Bovendien bestaan geen aanwijzingen dat de gezondheid van appellant na de datum in geding is verbeterd. In dat verband wijst de Raad op de brief van neuroloog Verkijk die meldt dat vooral in de twee maanden voor het onderzoek op 29 juli 2005 een toename van de klachten van de handen is opgetreden en de omstandigheid dat appellant bij het onderzoek door orthopedisch chirurg Verburg op 5 december 2005 recidief knieklachten heeft gemeld. De omstandigheid dat na de datum hier in geding, zoals toegelicht ter zitting van de Raad en ook blijkt uit de brieven van de neuroloog en orthopedisch chirurg, appellants gezondheidstoestand is verslechterd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2008.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) E. de Bree.

JL