Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1770

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2008
Datum publicatie
20-05-2008
Zaaknummer
06-7261 BZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand zelfstandige. Niet levensvatbaar bedrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 170
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/7261 BZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 november 2006, 06/708 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Lingewaard (hierna: College)

Datum uitspraak: 6 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2008. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.J.A. Broeren, werkzaam bij de gemeente Lingewaard.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant is sedert 1994 als zelfstandig tolk en vertaler werkzaam.

Appellant heeft bij aanvraagformulier van 1 februari 2005 een aanvraag ingediend om algemene bijstand ingevolge het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Naar aanleiding van deze aanvraag heeft IMK Intermediair B.V. te Zwolle (hierna: IMK) op 18 mei 2005 rapport uitgebracht. Daarbij is geadviseerd de aanvraag af te wijzen omdat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar is. Het College heeft het advies van het IMK overgenomen en heeft de aanvraag bij besluit van 24 juni 2005 afgewezen.

Appellant heeft tegen het besluit van 24 juni 2005 bezwaar gemaakt. In het kader van de behandeling van het bezwaar heeft het IMK bij brief van 5 december 2005 een nadere toelichting gegeven op de rapportage van 18 mei 2005. Bij besluit van 13 december 2005 heeft het College het bezwaar ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het besluit van 13 december 2005 beroep ingesteld. Het College heeft in het kader van de procedure bij de rechtbank brieven van het IMK van 14 maart 2006 en 5 september 2006 overgelegd met een reactie van het IMK op de door appellant in de beroepsprocedure ingenomen stellingen. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt voorop dat niet is gebleken dat appellant een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand heeft ingediend. Appellant heeft in een brief van 21 oktober 2004 aangegeven dat hij een bijstandsuitkering wenst en daarbij niet vermeld op welke regeling hij een beroep wil doen. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant nadien heeft aangegeven dat hij bijstand op grond van het Bbz 2004 wenst te ontvangen. Ook het aanvraagformulier van 1 februari 2005 betreft een aanvraag om bijstand op grond van het Bbz 2004. De Raad houdt het ervoor dat appellant zijn aanvankelijk ongespecificeerde verzoek om bijstand nader heeft geconcretiseerd tot een aanvraag om bijstand op grond van het Bbz 2004.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bbz 2004 kan algemene bijstand worden verleend aan de zelfstandige die gedurende een redelijke termijn als zodanig werkzaam is geweest en wiens bedrijf of zelfstandig beroep levensvatbaar is. Onder een levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep wordt volgens artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 verstaan het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor de voorziening in het bestaan. Blijkens de toelichting op deze bepaling impliceert dit dat het inkomen toereikend dient te zijn om alle aflossingsverplichtingen te voldoen, dat voldoende middelen beschikbaar zijn om het bedrijf op peil te houden en dat voorts wordt voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Voor de beoordeling van de levensvatbaarheid van een bedrijf is volgens vaste rechtspraak van de Raad bepalend de situatie van het bedrijf ten tijde van het primaire besluit op de aanvraag.

Het College heeft zijn standpunt dat het bedrijf of zelfstandig beroep van appellant ten tijde hier van belang niet levensvatbaar was gebaseerd op het advies van het IMK. Naar vaste rechtspraak van de Raad is een bijstandverlenend orgaan in zaken als de onderhavige gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming te baseren op in concreto verkregen adviezen van deskundige instanties als het IMK. De Raad acht in dit geval geen situatie aanwezig waarin die regel niet zou opgaan. De Raad leidt uit het rapport van het IMK van 18 mei 2005 en de daarop bij de brieven van 5 december 2005 en 5 september 2006 gegeven toelichting af dat de maximale omzet van het bedrijf van appellant, onder meer gelet op de verslechterde marktmogelijkheden voor de door dat bedrijf geleverde diensten, voor 2005 wordt geschat op € 10.000,-- en dat de taakstellende omzet voor 2005 € 48.600,-- bedraagt. Bij het bepalen van de taakstellende omzet voor 2005 is het IMK ervan uitgegaan dat appellant hoge privélasten heeft (€ 35.900,--) en zijn de bedrijfskosten op ongeveer 25% van de omzet begroot (€ 12.700,--). Naar het oordeel van de Raad heeft appellant zijn stelling dat het IMK bij het bepalen van de taakstellende omzet de bedrijfskosten te hoog heeft ingeschat onvoldoende onderbouwd. Ook overigens is de Raad niet gebleken dat het advies van het IMK op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, feitelijke onjuistheden bevat of ondeugdelijk is gemotiveerd.

Het voorgaande betekent dat het College op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bbz 2004 niet bevoegd was appellant algemene bijstand te verlenen en de aanvraag van appellant derhalve terecht heeft afgewezen. Dat betekent dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en R.H.M. Roelofs en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2008.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

RB