Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1761

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
20-05-2008
Zaaknummer
06-2917 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet bewezen dat appellante in de periode voordat haar een uitkering in verband met haar arbeidsongeschiktheid werd toegekend inkomsten genoten heeft uit werkzaamheden als magnetiseur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/2917 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 april 2006, 05/4485 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Dekker, advocaat te Purmerend, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2008. Appellante en haar gemachtigde zijn daarbij verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. D.E.C. Veugen.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, geboren in 1945, was in verband met de uitval voor haar werk als verpleegkundige in het genot van een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In verband met inkomsten die appellante heeft genoten in 1999 en 2000 uit haar werkzaamheden als zelfstandig magnetiseur, heeft het Uwv bij besluit van 28 september 2004, de mate van arbeidsongeschiktheid gehandhaafd, maar onder toepassing van artikel 44 van de WAO de uitkering over de periode van

1 januari 1999 tot 1 januari 2001 betaald als ware appellante 65 tot 80% arbeidsongeschikt.

Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt, stellende dat zij reeds sedert 1984, op het moment waarop zij (nog) parttime werkte als verpleegkundige, een praktijk had als magnetiseur. Het Uwv heeft het echter niet aannemelijk geacht dat appellante reeds voor het intreden van haar arbeidsongeschiktheid inkomsten had als zelfstandige en heeft om die reden bij het thans bestreden besluit van 23 mei 2005 het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak is dat beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het in beginsel op de weg van appellante ligt om aan te tonen dat zij reeds in de periode voor juli 1987 inkomsten ontving als magnetiseur, nu zij daar een beroep op doet. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat als het nagenoeg onmogelijk is om over een periode van 15 jaar geleden gegevens aan te dragen, dat in beginsel voor rekening en risico van appellante komt. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat uit de door appellante ingebrachte stukken niet kan worden afgeleid dat zij al in 1987 inkomsten genoot. De rechtbank wijst er daarbij op dat noch door de cliënten van appellante noch in het door haar ingebrachte krantenartikel wordt gesproken van het feit dat appellante haar werkzaamheden tegen betaling verrichtte.

In hoger beroep heeft appellante wederom benadrukt dat zij sedert 1987 inkomsten ontving uit haar werkzaamheden als magnetiseur.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad stelt allereerst vast dat het geding is beperkt tot de vraag of appellante in de periode voordat haar een uitkering in verband met haar arbeidsongeschiktheid werd toegekend, inkomsten genoot uit werkzaamheden als magnetiseur. De Raad kan zich verenigen met hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak, zoals hiervoor weergegeven dienaangaand heeft vastgesteld en overwogen. Ook de Raad is van oordeel dat het feit dat appellante zich er op beroept dat zij die werkzaamheden reeds voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid verrichtte, meebrengt dat zij in beginsel de juistheid van die stelling dient te bewijzen.

De Raad is voorts van oordeel dat uit de eerdere mededelingen van appellante op inlichtingenformulieren of in het kader van het onderzoek naar de mate van haar arbeidsongeschiktheid juist blijkt dat zij niet werkzaam was als zelfstandige. In dat verband wijst de Raad er op dat uit – bijvoorbeeld – de verklaring die is vastgelegd in een rapport in het kader van een herbeoordeling van 8 mei 1990 juist kan worden afgeleid dat appellante die werkzaamheden nog niet verrichtte, nu daarin is opgenomen dat zij onlangs was ingeschreven voor een oriëntatiecursus om als zelfstandige te gaan beginnen. Die bevinding komt overeen met de verklaring die door appellante werd afgelegd in het kader van een beroepskeuze-onderzoek op 31 mei 1990 waarbij appellante onder meer verklaart dat ze zelfstandig iets wil gaan opzetten. De Raad wijst er voorts op dat appellante niet steeds met gelijkluidende verklaringen is gekomen, terwijl de Raad met de rechtbank van oordeel is dat het ongeloofwaardig is dat appellante niet wist dat zij het vragenformulier van het ABP op een onjuiste manier invulde toen zij aangaf dat zij niet als zelfstandige een eigen beroep of bedrijf uitoefende.

De Raad onderschrijft de juistheid van de stelling van appellante dat zij zich als magnetiseur niet behoefde in te schrijven bij de Kamer van Koophandel, maar juist nu dit het geval is, kan aan dat feit geen bewijskracht worden ontleend voor de stelling dat zij die activiteiten wel verrichtte. Voorts kan de Raad aan de verklaringen van [S.] en [W.] niet het gewicht toekennen dat appellante daaraan wenst te hechten. De Raad merkt daarbij op dat hij niet uitsluit dat appellante inderdaad, zoals staat beschreven in het krantenartikel van oktober 1985, activiteiten als magnetiseur reeds uitoefende. De Raad acht echter onvoldoende overtuigend aangetoond dat dit gebeurde tegen betaling in de zelfstandige uitoefening van een beroep.

Het hoger beroep slaagt derhalve niet.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-Van Dijk als voorzitter en H.G. Rottier en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. de Bree, uitgesproken in het openbaar op 23 april 2008.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) E. de Bree.

JL