Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1710

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-05-2008
Datum publicatie
16-05-2008
Zaaknummer
07-3875 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Niet is gebleken dat namens betrokkene enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid, zoals bedoeld in artikel 8:88 van de Awb, naar voren is gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3875 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om herziening van:

[Verzoekster] (hierna: verzoekster),

van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 mei 2007, 05/6717,

in het geding in hoger beroep tussen:

verzoekster

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 24 mei 2007, 05/6717.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2008. Verzoekster is in persoon verschenen, vergezeld door mr. De Jonge. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

II. OVERWEGINGEN

Op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet, kan een onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad, op verzoek van een partij, worden herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

Bij de uitspraak waarvan thans om herziening wordt verzocht, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 november 2005, 04/679, bevestigd voor zover aangevochten. De Raad heeft daarbij overwogen dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de kosten van de in beroep overgelegde rapportages van mevrouw Verhage, directrice van het Instituut Psychosofia, niet als proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen.

Het verzoek om herziening is uitsluitend gericht tegen de weigering om de kosten van de door Instituut Psychosofia uitgebrachte rapportage voor vergoeding in aanmerking te brengen. In het (aanvullende) verzoekschrift en ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van verzoekster betoogd dat er wel reden is om deze kosten te vergoeden. Zij stelt zich daarbij op het standpunt dat sprake is van een kennelijke misslag in ’s Raads uitspraak van 24 mei 2007 en dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, nu de Raad in die uitspraak niet op alle namens verzoekster aangedragen argumenten is ingegaan.

Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 3 oktober 2003, LJN: AN7982 is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. De Raad is niet gebleken dat namens verzoekster enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid, zoals bedoeld in artikel 8:88 van de Awb, naar voren is gebracht. De door de gemachtigde van appellante aangehaalde omstandigheden kunnen niet als zodanig worden aangemerkt. Daarbij wijst de Raad er, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 7 april 1998, LJN: ZB7563, op dat noch uit artikel 8:69, noch uit artikel 8:77, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb, voortvloeit dat de Raad in zijn uitspraak op alle door partijen aangevoerde feiten en of omstandigheden heeft in te gaan.

Gelet op het vorenstaande dient het verzoek om herziening dan ook te worden afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding, nu door het Uwv niet om vergoeding van proceskosten is verzocht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en F.A.M. Stroink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2008.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) M. Pijper.

OA