Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1666

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2008
Datum publicatie
15-05-2008
Zaaknummer
06/4963 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Reïntegratiemaatregel. Verlaging WW-uitkering met 20% gedurende 16 weken op grond dat appellant geweigerd heeft het arbeidsintegratieplan/plaatsingsplan te ondertekenen.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/200
RSV 2008, 206

Uitspraak

06/4963 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 juli 2006, 05/2040 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 april 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld en is een vraag van de Raad beantwoord.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2008. Appellant is verschenen met bijstand van

mr. R.T. Laigsingh, advocaat te Amsterdam. Het Uwv, daartoe opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. S.J.M.A. Clerx, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW), de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) en daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant was als emballeur/verdeler werkzaam bij [naam werkgever] Met ingang van 3 april 1998 heeft hij zich ziekgemeld met spanningsklachten. Met ingang van 2 april 1999 is appellant in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Na een herbeoordeling heeft het Uwv bij besluit van 23 november 2004 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 23 januari 2005 ingetrokken op de grond dat er geen relevant verlies aan verdiencapaciteit meer is. Ingevolge de tussen partijen gewezen uitspraak van de Raad van heden in zaak nummer 06/4960 WAO is dat besluit in rechte onaantastbaar geworden.

2.2. Met ingang van 23 januari 2004 is de met ingang van 7 augustus 2000 toegekende loongerelateerde WW-uitkering herzien.

2.3. Bij besluit van 15 maart 2005 is appellants WW-uitkering met ingang van 14 februari 2005 met 20% verlaagd gedurende 16 weken op de grond dat appellant geweigerd heeft het arbeidsintegratieplan/plaatsingsplan te ondertekenen. Bij het bestreden besluit van 26 juli 2005 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 maart 2005 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1. Op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW is de werknemer verplicht mee te werken aan de activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid, bedoeld in de hoofdstukken VI en XA van de WW. Hoofdstuk VI van de WW heeft als titel “Reïntegratiemaatregelen”. Het bevat bepalingen die erop gericht zijn de kansen van een werkloze werknemer op werk te vergroten door middel van re-integratiemaatregelen. Hieromtrent kunnen volgens het in dat hoofdstuk voorkomende artikel 72, vijfde lid, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld. Ingevolge artikel 4.2, eerste lid, van het Besluit van 2 juli 2004 tot wijziging van het Besluit SUWI houdende regels omtrent de individuele reïntegratieovereenkomst, kan het Uwv ten behoeve van een werknemer, bedoeld in artikel 72, eerste lid, van de WW,

- ook wel aangeduid als klant - op diens aanvraag een individuele re-integratie-overeenkomst sluiten met een re-integratiebedrijf overeenkomstig de voorkeur van de aanvrager ter uitvoering van werkzaamheden die zijn gericht op de inschakeling in het arbeidsproces. In artikel 4.7, eerste lid, van de Regeling van 21 december 2001, houdende regels op grond van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en de Invoeringswet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, zoals deze regeling laatstelijk is gewijzigd bij de Regeling van 14 december 2005, Stcrt. 248, is bepaald dat het Uwv uitsluitend een individuele re-integratieovereenkomst kan sluiten indien de aanvraag vergezeld gaat van een door of namens de aanvrager opgesteld plan waarin in elk geval zijn opgenomen:

1º het opleidingsniveau en het sociaal-fiscaal nummer van de aanvrager;

2º een beschrijving van de werkzaamheden die op grond van de individuele re-integratieovereenkomst zullen worden verricht;

3º de verwachte begin- en einddatum van de werkzaamheden die op grond van de individuele re-integratieovereenkomst zullen worden verricht;

4º de beroepsactiviteiten die de aanvrager naar verwachting na afloop van die periode kan vervullen;

5º een opgave van de kosten van de werkzaamheden die op grond van de individuele re-integratieovereenkomst zullen worden verricht.

Op grond van het Besluit beoordelingskader individuele reïntegratieovereenkomst dient de klant een plaatsingsplan te maken, daarbij eventueel ondersteund door het re-integratiebedrijf. Ingevolge datzelfde beoordelingskader dient het plaatsingsplan door zowel het re-integratiebedrijf als de klant te worden ondertekend.

Uit dit geheel van voorschriften blijkt dat medewerking van een betrokken verzekerde aan het tot stand komen van een individuele re-integratieovereenkomst is vereist, in de vorm van (het leveren van een bijdrage aan) het maken en ondertekenen van een plaatsingsplan.

4.2. Op 22 november 2004 is door een arbeidsdeskundige van het Uwv met appellant vastgesteld dat appellant ondersteuning behoeft bij het zoeken naar passende arbeid en dat daarom een re-integratietraject zal worden gestart. Omdat appellant geen voorkeur had voor een bepaald re-integratiebedrijf is van de zijde van het Uwv het re-integratiebedrijf Egberts Consulting aangezocht. Tevens is aangekondigd dat appellant samen met het re-integratiebedrijf een plaatsingsplan zou gaan opstellen. Vervolgens is appellant door het re-integratiebedrijf schriftelijk opgeroepen voor een afspraak op 24 december 2004, aan welke oproep appellant gevolg heeft gegeven, en is door het re-integratiebedrijf op

7 januari 2005 een plaatsingsplan opgesteld. Vervolgens heeft het re-integratiebedrijf drie telefonische pogingen gedaan appellant ertoe te bewegen om het plan te bespreken en te ondertekenen. Daartoe is hij laatstelijk op 2 februari 2005 opgeroepen. Appellant heeft geen gevolg gegeven aan die oproep, volgens het re-integratiebedrijf met als reden dat hij in bezwaar is gegaan tegen het resultaat van de herbeoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid. Hij zag het verlenen van medewerking aan het re-integratietraject als een vorm van erkenning van het gelijk van het Uwv met betrekking tot zijn arbeidsongeschiktheid. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat hij het plaatsingsplan niet wilde tekenen voor het met zijn advocaat te hebben besproken.

4.3. De Raad is van oordeel dat in de door appellant aangevoerde redenen geen grond is gelegen om op en na 2 februari 2005 zijn medewerking te onthouden aan het bespreken en ondertekenen van het plaatsingsplan. Het verlenen van deze medewerking houdt geenszins het prijsgeven van appellants opvatting over zijn arbeidsongeschiktheid in. Voorts had appellant bij het re-integratiebedrijf het plaatsingsplan kunnen bespreken en vervolgens - alvorens het te ondertekenen - kunnen overleggen met zijn raadsman. Dit heeft appellant niet willen doen. Hij heeft de oproep van het re-integratiebureau naast zich neergelegd. De rechtbank is dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat appellant de verplichting, neergelegd in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW niet is nagekomen.

4.4. De Raad onderschrijft verder hetgeen de rechtbank heeft overwogen over de hoogte van de maatregel. Voorts ziet ook de Raad geen aanleiding voor het Uwv om op grond van een dringende reden van het opleggen van de maatregel af te zien.

4.5. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling tot een vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en T. Hoogenboom en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 april 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.

BvW