Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1650

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
15-05-2008
Zaaknummer
07-1524 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verminderd verwijtbaar werkloos. Maatregel: korting op de uitkering van 10% in plaats van 20% gedurende 16 weken. Sollicitatieverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/1524 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 maart 2007, 06/4469 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 april 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.E.L.T. Balkema, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2008. Appellant is - daartoe vanwege de Raad opgeroepen - in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Balkema voornoemd. Het Uwv heeft zich - eveneens opgeroepen om te verschijnen - laten vertegenwoordigen door A.C.M. van de Pol, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Appellant was vanaf 1 augustus 2005 op basis van een arbeidsovereenkomst/leer-overeenkomst voor bepaalde tijd tot 31 juli 2007 als leerling-monteur werkzaam bij [naam werkgever] (hierna: de werkgever). Op 22 mei 2006 heeft de werkgever aan appellant te kennen gegeven de overeenkomst per 1 juni 2006 te willen beëindigen omdat appellant onvoldoende voldoet aan zijn leerverplichtingen. Op 31 mei 2006 is de overeenkomst met wederzijds goedvinden beëindigd. Appellant heeft op 9 juni 2006 een aanvraag om WW-uitkering gedaan.

3. Bij besluit van 21 juni 2006 heeft het Uwv aan appellant per 1 juni 2006 een kortdurende WW-uitkering toegekend onder toepassing van een maatregel in vorm van een korting op de uitkering van 20 procent gedurende 16 weken, omdat appellant niet heeft voldaan aan de sollicitatieverplichting voor de eerste werkloosheidsdag.

4. Bij besluit van 15 augustus 2006 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 juni 2006 ongegrond verklaard.

5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat van appellant op grond van het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW vanaf 22 mei 2006, de datum waarop de werkgever aan hem heeft meegedeeld dat het dienstverband zou worden beëindigd, sollicitatieactiviteiten werden verlangd. Niet in geding is dat appellant dit niet heeft gedaan. De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van appellant dat hem niet kan worden verweten dat hij niet heeft gesolliciteerd omdat hij in de onderhavige periode vakantie heeft genoten, niet kan worden gevolgd. Daarbij betrekt de rechtbank dat de situatie voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag niet op één lijn kan worden gesteld met de vakantieregeling respectievelijk de sollicitatieplicht tijdens het ontvangen van de uitkering. Voorts zijn er naar het oordeel van de rechtbank geen redenen om de sollicitatieplicht niet onverkort op appellant van toepassing te achten. Vast staat dat appellant niet aan zijn sollicitatieplicht heeft voldaan, zodat het Uwv terecht een maatregel heeft opgelegd. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat zich geen omstandigheden voordoen op grond waarvan de opgelegde maatregel had moeten worden gematigd.

6. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het recht op vakantie een recht is dat tot de grondslagen van het Nederlandse arbeidsrecht behoort. Voorts heeft hij gewezen op het Maatregelenbesluit Uwv, waarin is opgenomen dat in de perioden dat de verzekerde met inachtneming van de voorschriften vakantie geniet, de verwijtbaarheid ontbreekt ten aanzien van het niet voldoen aan de verplichting van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW. Appellant benadrukt dat hij van 22 mei 2006 tot 1 juni 2006 vakantie had en om die reden niet heeft gesolliciteerd. Die situatie moet worden gelijkgesteld met de situatie waarin tijdens het recht op WW-uitkering vakantie wordt genoten, zodat hij was vrijgesteld van de plicht om te solliciteren. Gelet hierop ontbreekt naar de mening van appellant de verwijtbaarheid dan wel is er gelet op de omstandigheden in ieder geval sprake van verminderde verwijtbaarheid.

7. De Raad, oordelend over de aangevallen uitspraak, overweegt als volgt.

7.1. Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW voorkomt de werknemer dat hij werkloos is of blijft doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen. Zoals de Raad onder meer heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 april 2006, LJN AX7113, USZ 2006/185, wordt van de werknemer wiens (tijdelijke) dienstverband op een andere wijze dan door opzegging eindigt verlangd dat hij sollicitatieactiviteiten ontwikkelt vanaf het moment dat het hem redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat de dienstbetrekking eindigt. Van de werknemer wordt verwacht dat hij in de periode voor de eerste werkloosheidsdag tenminste één concrete sollicitatieactiviteit verricht.

7.2. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat hem in verband met zijn vakantie niet kan worden verweten dat hij niet aan de sollicitatieverplichting heeft voldaan. De Raad is van oordeel dat appellant hierin niet kan worden gevolgd, reeds omdat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van vakantie. Op het aanvraagformulier voor een WW-uitkering heeft appellant onder meer verklaard dat hij in de periode vóór 1 juni 2006 niet heeft gesolliciteerd wegens het overlijden van een vriend op 26 mei 2006, dat hij heeft geholpen om de overleden vriend terug te laten keren naar zijn eigen land en dat hij het weekend bij de familie van die vriend heeft doorgebracht; hij heeft daarop niet vermeld dat hij in die periode vakantie heeft genoten. Eerst tijdens het telefonisch contact op 14 augustus 2006 met het Uwv in de bezwaarprocedure heeft appellant gemeld dat hij vakantie had en daarom niet had gesolliciteerd. Ter zitting van de Raad heeft appellant daarover nog verklaard dat hij in de periode in geding niet op reis is geweest maar thuis was. Appellant heeft in die periode te horen gekregen dat een vriend ziek was; deze vriend is in diezelfde week nog overleden. Daarna heeft appellant in het weekend de familie van zijn overleden vriend bezocht.

Naar het oordeel van de Raad kan deze periode dan ook niet worden aangemerkt als vakantie. Dat appellant zijn vakantiedagen had opgenomen voorafgaande aan het einde van de arbeidsovereenkomst, maakt dit niet anders. Appellant was dan ook gehouden om voorafgaande aan de eerste werkloosheidsdag ten minste één sollicitatieactiviteit te verrichten. Vast staat dat appellant geen enkele sollicitatieactiviteit heeft ondernomen. Naar het oordeel van de Raad valt appellant daarvan een verwijt te maken, zodat het Uwv gehouden was een maatregel op te leggen. Hetgeen namens appellant verder nog is aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht.

7.3. Het geheel van de omstandigheden acht de Raad echter zodanig dat appellant van zijn onvoldoende sollicitatieactiviteiten in verminderde mate een verwijt valt te maken, zodat niet met toepassing van artikel 6, eerste lid, van het Maatregelenbesluit Uwv een korting van 20 procent gedurende zestien weken moet worden opgelegd, maar dat met toepassing van het tweede lid van dat artikel een korting van 10 procent gedurende 16 weken op zijn plaats is.

7.4. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak evenals het besluit van 15 augustus 2006 dient te worden vernietigd. Het Uwv dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

8. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 644,-- en in hoger beroep tot een bedrag van

€ 644,--, vermeerderd met de reiskosten van appellant in hoger beroep, begroot op € 20,68, in totaal derhalve

€ 1.308,68.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 15 augustus 2006 gegrond;

Vernietigt het besluit van 15 augustus 2006;

Draagt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellant met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot betaling van de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.308,68, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant betaalde griffierecht van € 143,-- (€ 38,-- + € 105,--) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 april 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.

BvW