Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1606

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-05-2008
Datum publicatie
15-05-2008
Zaaknummer
07/4172 CSV, 07/4174 CSV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdelijke aansprakelijkheid bestuurders voor sociale verzekeringspremies. Kennelijk onbehoorlijk bestuur? Omvang geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4172 CSV

07/4174 CSV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellante] (hierna: appellante),

en [Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 mei 2007, 06/3289 en 06/3290 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 8 mei 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. drs. M.M.L. Willems, werkzaam bij Van Boekel Smits & Willems Belastingadviseurs te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is voor onderzoek ter zitting aan de orde gesteld op 6 maart 2008. Partijen hebben zich bij die gelegenheid, na dit vooraf schriftelijk te hebben bericht, niet doen vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluiten van 31 mei 2006 zijn appellanten als bestuurders op grond van artikel 16d van de CSV hoofdelijk aansprakelijk gesteld tot een bedrag van € 433.347,88 voor sociale verzekeringspremies over 2000 tot en met 2003, verschuldigd door [B.V.]. Bij na bezwaar genomen besluiten van 2 oktober 2006 heeft het Uwv onder ongegrondverklaring van de bezwaren dit standpunt gemotiveerd gehandhaafd.

De Raad stelt voorop dat gelet op de inhoud en strekking van de in geding zijnde besluiten de omvang van dit geding wordt bepaald door het antwoord op de vraag of het aannemelijk is dat de niet betaling van evenbedoelde premies over genoemde jaren het gevolg is van aan appellanten te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur.

De Raad overweegt dienaangaande als volgt.

Het Uwv stelt ruim en gedegen gemotiveerd gezien de fraudeonderzoeksbevindingen en ten tijde van de besluitvorming vast dat

- loonbetalingen zijn verricht aan niet in de loonadministratie verantwoord personeel;

- meer loon werd betaald aan personeel dat wel in de loonadministratie is verantwoord;

- van verschillende werknemers geen volledige personeelsadministratie en geen dan wel een gedeeltelijke en vaak ongedateerde loonbelastingverklaring aanwezig is;

- van een aanmerkelijk aantal werknemers identiteitsbewijzen onbreken;

- gezien de aanmerkelijke omvang van het premienadeel betreffende bedrag en de langdurigheid van het doelbewust frauduleus handelen sprake is van systematische en verstrekkende zwartloonbetalingen.

Wat dit laatste betreft leidt de Raad met name uit de stukken af dat met aan appellanten dan wel aan diens supervisors als [G.] en [H.] teruggegeven betalingen door op de loonlijst staande niet- werkenden aan andere onbekend gebleven wel werkende personen op forse schaal contant en zwart is uitbetaald. Uit de deel van de stukken uitmakende rapporten werkgeversfraude en SIOD kan met name de conclusie worden getrokken dat jarenlang structureel, systematisch en opzettelijk in aanmerkelijke mate wettelijke loonopgaveverplichtingen niet zijn nagekomen, waardoor adequate premieheffing geheel en al achterwege is gebleven. Appellanten hebben zich hierdoor naar het oordeel van de Raad als verantwoordelijke bestuurders in alleszins verwijtbare mate schuldig gemaakt aan kennelijk onbehoorlijk bestuur, terwijl evenzeer evident sprake is van causaal verband tussen dit onbehoorlijk bestuur en het niet betalen van de verschuldigde premies over de jaren 2000 tot en met 2003. Anders dan appellanten in (hoger) beroep blijven menen kunnen zij zich van een en ander niet verschonen doordat bedrijfsleiders/medewerkers als voornoemden achter hun rug zouden hebben samengespannen, illegale werknemers zonder hun weten tewerk hebben gesteld en zwart beloond, omdat volgens de Raad van eerstbedoelden als bestuurders geen lijdzaam afwachtende houding doch een actief toezicht en controle mag worden verwacht op al het relevante doen en laten van hun bedrijfsleiders/medewerkers als aan hun gezag in de organisatie onderhevige werknemers.

Uitgaande van een en ander had de rechtbank de in geding zijnde besluiten van het Uwv met de daaraan gegeven concludente motivering inzake de kennelijke aanwezigheid van onbehoorlijk bestuur van appellanten in stand behoren te laten en de beroepen hiertegen ongegrond dienen te verklaren.

Door in het geding tussen partijen alsnog te betrekken de in de bezwaarprocedure reeds gepasseerde en overigens nog immer kwestieuze voorvraag of er wel sprake is geweest van een rechtsgeldige melding van betalingsonmacht door appellanten met als gevolg een nog zwakkere bewijspositie inzake de ontkenning van kennelijk onbehoorlijk bestuur door laatstgenoemden is de rechtbank volgens de Raad buiten de door artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht getrokken grenzen inzake de omvang van het geding getreden en had gewogen en juist oordelend niet dienen te volstaan met het slechts in stand laten van de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak in zijn geheel dient te worden vernietigd en dat de inleidende beroepen ongegrond moeten worden verklaard.

De Raad zal met herstel van rechtsgrondslag en motivering van de in geding zijnde besluiten van het Uwv doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de beroepen van appellanten tegen de besluiten van 2 oktober 2006 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en G. van der Wiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2008.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. Badermann.

OA