Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1597

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
15-05-2008
Zaaknummer
07-5132 CSV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Boete: jaarloonopgave niet binnen de daarvoor gestelde termijn ontvangenGeen adequate reactie van de vereniging op twee nadien aan de vereniging verzonden rappellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/5132 CSV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 14 augustus 2007, 06/473 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Naam Gymnastiekvereniging], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: de vereniging)

en

appellant.

Datum uitspraak: 29 april 2008.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens de vereniging heeft de penningmeester [naam penningmeester] een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2008. Appellant, daartoe ambtshalve opgeroepen, heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Namens de vereniging is als gemachtigde verschenen [naam penningmeester] voornoemd.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Coordinatiewet Sociale Verzekering (CSV) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

De vereniging kan niet door concreet bewijs, zoals bij een aangetekende verzending of een zorgvuldig geregistreerd brievenboek van uitgaande post, aantonen dat de jaarloonopgave 2003 tijdig voor 1 februari 2004 is verzonden, doch gaat ervan uit dat deze door de betrokken accountant reeds op 27 januari 2004 digitaal is verzonden. Van dit laatste is appellant uit diens administratie niet gebleken. Volgens appellant is de jaarloonopgave 2003 destijds niet ontvangen. Hoewel bij schriftelijke rappellen van 7 mei en 25 juni 2004 verzocht is deze alsnog in te zenden, heeft appellant daarop naar zijn zeggen toen evenmin een adequate reactie mogen ontvangen. Volgens appellant is eerst na kennisgeving van de overtreding inzake het niet tijdig indienen van de jaaropgave betreffende 2003 en van het voornemen tot het afgeven van een boetebeschikking de jaaropgave ontvangen en verwerkt. Bij besluit op bezwaar van 4 november 2005 van appellant heeft dat uiteindelijk met toepassing van de wettelijke voorschiften omdat door de vereniging als werkgever, te wijten aan opzet/grove schuld, niet is voldaan aan de verplichting tot tijdige indiening van de desbetreffende jaaropgave, ook niet na twee rappellen, geleid tot het opleggen van een boete van € 2269,-.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak van 14 augustus 2007 het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met de opdracht aan appellant een nieuw besluit te nemen. De rechtbank heeft zulks kortweg doen steunen op het oordeel dat het niet zonder meer duidelijk is dat de jaaropgaven van 2003 niet tijdig bij appellant zijn binnengekomen en dat appellant onzorgvuldig heeft gehandeld door zonder nader onderzoek bij het accountantskantoor dan wel het toenmalige Cadans over te gaan tot het opleggen van een boete.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij is beklemtoond dat bij het opleggen van een boete als hier in het geding op appellant niet een onderzoeksplicht rust welke verder strekt dan de eigen administratie te raadplegen.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt op grond van de gebleken feiten en omstandigheden vast dat appellant op goede gronden heeft aangenomen dat de jaarloonopgave over het jaar 2003 van de vereniging niet binnen de daarvoor in artikel 12, eerste lid, van het Loonadministratiebesluit gestelde termijn is ontvangen, gevoegd bij de omstandigheid dat evenmin een adequate reactie van de vereniging is ontvangen op twee nadien aan de vereniging verzonden rappellen. Weliswaar heeft de vereniging staande gehouden dat zij de jaarloonopgave digitaal wel tijdig voor 1 februari 2004 heeft ingezonden, maar zij is er naar het oordeel van de Raad niet in geslaagd zulks voldoende en concreet aannemelijk te maken. Evenmin acht de Raad aannemelijk gemaakt dat de rappellen in mei en juni 2004 tot een adequate reactie in de vorm van het alsnog inzenden van de verlangde jaaropgave over 2003 hebben geleid. Overigens is de Raad niet anders kunnen blijken dan dat ruimschoots te laat op 27 juni 2005 en pas na kennisgeving van het voornemen tot het afgeven van een boetebesluit een gerede indiening van de jaarloonopgave over 2003 heeft plaatsgevonden. Met appellant is de Raad tevens van oordeel dat, nu het tot de verantwoordelijkheid van de werkgever moet worden gerekend om tijdig een volledige en juiste loonopgave ten behoeve van appellant te verzorgen, het niet juist is een verdergaande onderzoeksplicht inzake bewijsbare registratie en ontvangst hiervan op appellant zelf af te wentelen dan waarvan appellant thans aan de hand van reguliere raadpleging van zijn eigen administratie na zorgvuldige verzameling van door verantwoordelijke werkgevers aangeleverde gegevens is uitgegaan.

Gelet op het voorgaande en gezien het bepaalde in artikel 12 CSV is het bestreden boetebesluit door appellant terecht gegeven.

Nu overtreding van de verplichting de jaarloonopgave tijdig in te dienen volgens vaste rechtspraak van de Raad als een ernstige nalatigheid is te kwalificeren, en de vereniging door appellant kennelijk twee maal tevergeefs is gerappelleerd deze verplichting alsnog adequaat na te komen, is de Raad van oordeel dat er geen grond is voor het oordeel dat het bestreden boetebesluit als zodanig de rechterlijke toetsing niet kan doorstaan.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan worden gelaten. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het inleidend beroep ongegrond verklaren. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en E.J.M. Heijs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 april 2008.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. Badermann.

OA