Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1595

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-05-2008
Datum publicatie
15-05-2008
Zaaknummer
07-524 WWB + 07-526 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Middelen. Inkomsten. Toerekenen aan maand van ontvangst.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 31
Wet werk en bijstand 32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 164
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/524 WWB

07/526 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellanten] (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 december 2006, 05/5462 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Uithoorn (hierna: College)

Datum uitspraak: 13 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2008. Voor appellanten is verschenen mr. Willering. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C.H.L. Bakker, werkzaam bij de gemeente Uithoorn.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellanten ontvangen met ingang van 1 oktober 2003 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Naar aanleiding van een melding door het Inlichtingenbureau dat op naam van appellante een bankrekening staat met een behoorlijk saldo, heeft het College onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader is appellanten verzocht om afschriften van alle op hun naam staande bankrekeningen te overleggen en zijn appellanten gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 8 februari 2004. Het College is op basis van de bevindingen van dat onderzoek tot de conclusie gekomen dat sprake is geweest van regelmatige hoge contante stortingen, dat de herkomst van de stortingen onbekend is en dat appellanten van de bankrekeningen geen melding hebben gemaakt bij het College. Dit is voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 23 februari 2005 de bijstand van appellanten met ingang van 1 januari 2005 te beëindigen (lees: in te trekken). In verband met het niet melden van de stortingen op de bankrekeningen van appellanten kan het recht op bijstand van appellanten volgens het College niet worden vastgesteld. Voorts heeft het College bij besluit van 25 februari 2005 de bijstand van appellanten over de periode 1 oktober 2003 tot en met 31 december 2004 herzien (lees: ingetrokken) en de kosten van bijstand over die periode teruggevorderd ter hoogte van een bedrag van € 20.615,38.

Bij besluit van 14 oktober 2005 heeft het College de tegen de besluiten van 23 februari 2005 en 25 februari 2005 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. met dien verstande dat het terug te vorderen bedrag nader is vastgesteld op € 17.270,89.

Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 14 oktober 2005 gegrond verklaard, dat besluit, met beslissingen omtrent griffierecht en proceskosten, vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt allereerst vast dat het College de intrekking van de bijstand ingaande 1 januari 2005 niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit, te weten de periode van 1 januari 2005 tot en met 23 februari 2005. Nu het College de bijstand tevens over de periode 1 oktober 2003 tot en met 31 december 2004 heeft ingetrokken, dient de Raad de periode van 1 oktober 2003 tot en met 23 februari 2005 te beoordelen.

Ten aanzien van de periode 1 oktober 2003 tot en met 31 december 2004

Vast is komen te staan dat gedurende de periode 1 oktober 2003 tot en met 31 december 2004 een achttal bankrekeningen, waaronder de bankrekening met rekeningnummer [nummer bankrekening], op naam van appellanten heeft gestaan. Volgens vaste jurisprudentie rechtvaardigt het feit dat op bankrekeningen op naam van een bijstandsgerechtigde tegoeden staan de veronderstelling dat deze tegoeden een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij de beschikking heeft dan wel redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellanten daarin niet zijn geslaagd. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellanten niet met objectieve en verifieerbare gegevens hebben kunnen aantonen dat de op de bankrekening met nummer [nummer bankrekening] staande gelden toebehoorden aan de echtgenote van de broer van appellante. Voorts is gebleken dat appellanten feitelijk transacties hebben verricht op de genoemde bankrekeningen.

Door van bovenvermelde bankrekeningen en de daarop staande tegoeden geen melding te maken bij het College hebben appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden.

De Raad is evenwel van oordeel dat niet gezegd kan worden dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Op basis van het tot de gedingstukken behorende betalingsoverzicht, gevoegd bij het advies van de gemeente Uithoorn van 6 oktober 2005, heeft het College alle in 2003 respectievelijk 2004 op de voornoemde bankrekeningen gestorte inkomsten bij elkaar opgeteld en afgezet tegen de aan appellanten over die jaren betaalde bijstand.

Het College heeft daarmee naar het oordeel van de Raad miskend dat in gevolge artikel 45, eerste lid, van de WWB de bijstand van appellanten per kalendermaand wordt vastgesteld en heeft de inkomsten die appellanten in de maand oktober 2003 hebben ontvangen ten onrechte toegerekend aan de periode 1 oktober 2003 tot en met 31 december 2003. Ook in 2004 dienen de inkomsten van appellanten te worden toegerekend aan de kalendermaand waarin ze zijn ontvangen. Uit het voornoemde betalingsoverzicht kan worden afgeleid welke inkomsten appellanten op welke data in 2003 en 2004 hebben ontvangen, zodat naar het oordeel van de Raad aan de hand daarvan het recht op bijstand van appellanten over de periode 1 oktober 2003 tot en met 31 december 2004 wel degelijk kan worden vastgesteld.

Het vorenstaande betekent dat het besluit van 14 oktober 2005, voor zover dit ziet op de intrekking van het recht op bijstand over de periode 1 oktober 2003 tot en met 31 december 2004, op een ondeugdelijke motivering berust en derhalve wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt. Daarmee is ook de grondslag aan het terugvorderingsbesluit over de voornoemde periode komen te ontvallen, zodat het besluit van 14 oktober 2005 ook in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt.

Ten aanzien van de periode 1 januari 2005 tot en met 23 februari 2005

Uit de gedingstukken blijkt dat de intrekking van de bijstand over de periode 1 januari 2005 tot en met 23 februari 2005 niet in het voornoemde betalingsoverzicht is opgenomen noch op andere wijze nader door het College is geconcretiseerd aan de hand van objectieve en verifieerbare informatie, zodat naar het oordeel van de Raad onvoldoende aanwijzingen bestaan dat sprake is van stortingen op de bankrekeningen van appellanten in de voornoemde periode. Dit betekent dat er geen sprake is van schending van de op appellanten rustende inlichtingenverplichting, zodat het besluit van 14 oktober 2005 ten aanzien van de periode 1 januari 2005 tot en met 23 februari 2005 eveneens niet op een deugdelijke motivering berust en daarom wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt.

Slotoverwegingen.

De rechtbank heeft het besluit van 14 oktober 2005 derhalve op zichzelf bezien wel terecht vernietigd maar het voorgaande niet onderkend, zodat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit ten aanzien van de periode 1 oktober 2003 tot en met 31 december 2004 ten onrechte in stand zijn gelaten. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het College opdragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellanten met inachtneming van de uitspraak van de Raad. Daarbij merkt de Raad op dat het College in een nieuw te nemen besluit op bezwaar een beslissing dient te nemen met betrekking tot de vergoeding die appellanten in verband met de behandeling van het bezwaar hebben moeten maken.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit neemt op de bezwaren van appellanten, met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellanten tot een bedrag € 644,-- te betalen door de gemeente Uithoorn;

Bepaalt dat de gemeente Uithoorn aan appellanten het griffierecht van € 105,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) P.C. de Wit.

OA1708