Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1593

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
15-05-2008
Zaaknummer
06-1461 AWBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesbelang bij rechterlijke beslissing over rechtmatigheid van bestreden besluit? Geen huishoudelijke hulp in natura met terugwerkende kracht. Geen belemmering voor het met terugwerkende kracht verlenen van persoonsgebonden budget.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:1, geldigheid: 2008-04-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2008/147
USZ 2008/224
RZA 2008, 104
ABkort 2008/228

Uitspraak

06/1461 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 10 januari 2006, 05/713 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellante

en

de Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg, als rechtsopvolgster van het Regionaal Indicatie Orgaan Noord-Limburg, gevestigd te Driebergen (hierna: CIZ)

Datum uitspraak: 29 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.N. van Geenen, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.

CIZ heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2008. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Van Geenen. CIZ is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft sinds een verkeersongeval op 2 juni 1999 whiplashklachten. Na indicatiestelling door CIZ is haar voor de functie huishoudelijke verzorging voor de periode van 19 mei 2003 tot en met 18 mei 2005 door het bevoegde zorgkantoor een persoonsgebonden budget verleend voor 6 uren per week.

1.2. In verband met een peesontsteking heeft appellante CIZ op 2 april 2004 om een tijdelijke uitbreiding van het aantal geïndiceerde uren verzocht.

1.3. Na onderzoek heeft CIZ appellante bij besluit van 18 mei 2004, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 april 2005, voor de periode van 18 mei 2004 tot en met 17 november 2004 geïndiceerd voor de functie huishoudelijke verzorging, klasse 2

(2-3,9 uren per week).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

20 april 2005 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat appellante geen (proces)belang heeft bij een beslissing van de rechtbank over de rechtmatigheid van dat besluit. De rechtbank heeft overwogen dat de in geding zijnde indicatiestelling betrekking heeft op een reeds verstreken periode, dat het met terugwerkende kracht toekennen van huishoudelijke verzorging (in natura) niet mogelijk is, en dat niet is gebleken dat appellante schade heeft geleden doordat zij in die periode door haar zelf betaalde huishoudelijke hulp heeft betrokken.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat wel sprake is geweest van door haar zelf betaalde huishoudelijke hulp.

4.1. De Raad stelt bij zijn beoordeling voorop dat volgens vaste rechtspraak sprake is van (voldoende) procesbelang, indien het gestelde belang bestaat in de vergoeding van schade en het feit dat schade is geleden niet op voorhand onaannemelijk moet worden geacht (vgl. onder andere de uitspraak van de Raad van 9 januari 2008, LJN: BC2897).

4.2. De in geding zijnde indicatiestelling heeft betrekking op de functie huishoudelijke verzorging over een in het verleden liggende, reeds afgesloten periode. Tussen partijen is niet in geschil, en ook voor de Raad staat vast, dat appellante (ook) over die periode voor de functie huishoudelijke verzorging een persoonsgebonden budget wenste.

4.3.1. Ten tijde in geding berustte de verlening van persoonsgebonden budgetten voor de functie huishoudelijke verzorging op de - ministeriële - Regeling Subsidies AWBZ en Ziekenfondswet (hierna: Regeling).

4.3.2. Artikel 2.5.6.4 van de Regeling luidde:

“Het netto persoonsgebonden budget wordt verleend voor een subsidieperiode die:

a. niet eerder aanvangt dan de dag met ingang waarvan de verzekerde volgens zijn indicatiebesluit op de zorg is aangewezen waarvoor het budget wordt verleend; en

b. eindigt met ingang van de dag waarop het indicatiebesluit zijn geldigheidsduur verliest.”

4.3.3. Artikel 2.5.6.8, eerste en derde lid, van de Regeling - voor zover hier van belang - luidde:

“1. Bij de verlening van het netto persoonsgebonden budget worden de verzekerde de volgende verplichtingen opgelegd:

a. de verzekerde gebruikt het budget uitsluitend voor betaling van zorg als bedoeld in artikel 2.5.6.1, onderdeel b of d, en de daarmee noodzakelijk verbonden kosten;

(…)

e. de verzekerde legt binnen acht weken na het einde van de voorschotperiode door middel van invulling van een formulier aan het zorgkantoor verantwoording af over het gebruik van het voorschot en eventuele eerder verleende voorschotten voorzover deze nog niet voor betalingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, waren gebruikt.

(…)

3. In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en e, mag de verzekerde in een kalenderjaar maximaal 1,5% van het voor dat jaar beschikbare netto persoonsgebonden budget, maar ten minste € 250,-- en ten hoogste € 1250,-- gebruiken voor andere betalingen dan betalingen bedoeld in onderdeel a, en geldt de verantwoordingsplicht, bedoeld in onderdeel e, niet voor dit deel van het budget.”

4.4. In deze bepalingen van de Regeling, in onderling verband bezien, ligt besloten dat de ontvanger van een persoonsgebonden budget over de besteding van een - beperkt - gedeelte daarvan geen verantwoording hoeft af te leggen. Nu voorts in de Regeling geen belemmering is opgenomen voor het met terugwerkende kracht verlenen van (in elk geval dit vrij te besteden gedeelte van) het persoonsgebonden budget, kan reeds hierom niet worden gezegd dat ieder (proces)belang van appellante bij een rechterlijke beslissing over de rechtmatigheid van het besluit van 20 april 2005 ontbreekt. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

4.5. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Raad zal de zaak terugwijzen naar de rechtbank Roermond.

4.6. De Raad ziet ten slotte aanleiding CIZ te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep, begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Wijst de zaak terug naar de rechtbank Roermond;

Veroordeelt CIZ in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--;

Bepaalt dat CIZ aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 103,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en R.M. van Male en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Bagga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 april 2008.

(get.) T.G.M. Simons.

(get.) S.R. Bagga.

AR