Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1590

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-05-2008
Datum publicatie
15-05-2008
Zaaknummer
07-1767 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij nabetaling van een WW-uitkering over een eerdere bijstandsperiode vormt art. 58.1.f.1e van de WWB een zelfstandige terugvorderingsgrond en is de toepassing van art. 54.3.b in verbinding met art. 58.1.a WWB geen alternatief.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 58
Wet werk en bijstand 54 lid 3 sub b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2008/205
JWWB 2008, 174
RSV 2008, 182
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1767 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 12 maart 2007, 06/1525 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen (hierna: College)

Datum uitspraak: 6 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2008. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door H.J.G. Kubben, werkzaam bij de gemeente Sittard-Geleen.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Bij besluit van 16 mei 2003 is aan appellant in aanvulling op zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 1 februari 2003 bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend naar de gehuwdennorm. Bij brief van 20 november 2003 is namens de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) aan appellant meegedeeld dat hem, na verrekening met de WAO-uitkering, over de periode van 3 februari 2003 tot en met 17 april 2003 nog een bedrag van € 373,53 netto aan uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) wordt nabetaald. Bij besluit van 6 februari 2006 heeft het College vanwege die nabetaling met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Wet werk en bijstand (WWB) over de periode van 3 februari 2003 tot en met 17 april 2003 een bedrag van € 373,53 wegens gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd.

Bij besluit van 30 mei 2006 heeft het College de tegen het besluit van 6 februari 2006 gemaakte bezwaren onder wijziging van de grondslag ongegrond verklaard. Daartoe heeft het College eerst besloten de bijstand over de periode van 3 februari 2003 tot en met 17 april 2003 alsnog met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB te herzien en voorts de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 373,53 van appellant teruggevorderd met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 30 mei 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De rechtbank heeft het door het College bij besluit van 30 mei 2006 ingenomen standpunt, dat in dit geval artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB en, in het verlengde daarvan, artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, van toepassing zijn, onderschreven.

De Raad kan de rechtbank daarin niet volgen. Immers ten tijde van de toekenning van de bijstand beschikte appellant niet en kon hij ook - nog - niet beschikken over middelen uit hoofde van (nabetaling van) zijn WW-uitkering, zodat niet gezegd kan worden dat de bijstand over de in geding zijnde periode ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Daarmee staat tevens vast dat niet was voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de artikelen 54, derde lid, aanhef en onder b, en 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het besluit van 30 mei 2006 vernietigen en bezien of de rechtsgevolgen van dat besluit in stand kunnen blijven.

De Raad overweegt in dat verband het volgende.

Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken.

Hoewel in de hier bedoelde gevallen, waarin pas na de toekenning van bijstand middelen beschikbaar komen die betrekking hebben op dezelfde periode als waarop de bijstand ziet, van onverschuldigde betaling geen sprake is, heeft de wetgever kennelijk beoogd in dit artikel een soortgelijke bepaling op te nemen als destijds in artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw was neergelegd, met dien verstande dat het thans een bevoegdheid tot terugvordering betreft. Artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB behelst een zogeheten zelfstandige terugvorderingsgrond, zodat een voorafgaand besluit tot intrekking of herziening niet is aangewezen.

Uit de stukken blijkt dat aan appellant - voor zover van belang - over de periode van 3 februari 2003 tot en met 17 april 2003 bijstand is verleend en dat hem nadien door het Uwv over diezelfde periode nog een nabetaling is gedaan van zijn WW-uitkering, voor zover die niet met de eerder ontvangen WAO-uitkering kon worden verrekend. Aangezien het betreffende bedrag minder was dan de aan hem over diezelfde periode verleende bijstand was het College bevoegd de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 373,53 met toepassing van artikel 58, eerst lid, aanhef en onder f, ten eerste van de WWB van appellant terug te vorderen. Het College hanteert in zaken als deze - kort gezegd - de beleidsregel om terug te vorderen tenzij er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien dan wel indien het bedragen betreft beneden € 150,-- . De Raad stelt vast dat het College in dit geval in overeenstemming met deze, door de Raad niet onredelijk geachte, beleidsregel heeft gehandeld. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Raad voorts geen grond voor het oordeel dat het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, in afwijking van het beleid geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtsgevolgen van het besluit van 30 mei 2006 in stand kunnen blijven voor zover dit besluit ziet op de terugvordering.

Hetgeen appellant overigens nog naar voren heeft gebracht heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. In dat verband wordt nog opgemerkt dat de terugvordering over de periode van 18 april 2003 tot en met 30 september 2003 geen onderdeel uitmaakt van het aan deze procedure ten grondslag liggende besluit. Het beroep op overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden slaagt, gelet op de totale duur en de aard van de procedure, evenmin. Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 4 november 2005, LJN AU5643, vangt deze termijn doorgaans aan op het tijdstip waarop een bezwaarschrift wordt ingediend tegen het primaire besluit of tegen het uitblijven daarvan. De Raad ziet geen aanleiding in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 30 mei 2006;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 30 mei 2006 voor zover dit besluit ziet op de terugvordering in stand blijven;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Sittard-Geleen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Sittard-Geleen aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en R.H.M. Roelofs en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2008.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

OA1708