Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1577

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-04-2008
Datum publicatie
20-05-2008
Zaaknummer
07/3660 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. Vereist is duidelijkheid over dienstverband en over de wijze van beëindiging. Bestond bij werkgever de intentie het dienstverband te verlengen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/3660 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 11 mei 2007, 06/3591 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 april 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.E. Braak, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2008. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Appellant is van 10 september 2005 tot begin januari 2006 via uitzendbureau Adecco werkzaam geweest bij Rabobank Nederland. Adecco heeft het dienstverband met appellant niet voortgezet vanwege klachten van Rabobank Nederland over zijn functioneren, welke bestonden uit het in de periode van december 2005 tot en met 2 januari 2006 diverse keren te laat komen of helemaal niet op het werk verschijnen en het telefonisch slecht bereikbaar zijn.

3. Met het op bezwaar genomen besluit van 27 september 2006, het bestreden besluit, heeft het Uwv zijn besluit van 16 mei 2006 gehandhaafd, waarbij appellant met ingang van 6 januari 2006 uitkering ingevolge de WW bij wijze van maatregel blijvend geheel is geweigerd vanwege verwijtbare werkloosheid op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder a, van dat artikel. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat appellant niet aannemelijk heeft kunnen maken dat de lezing van de werkgever over zijn gedrag niet juist zou zijn.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Ter zitting van de Raad heeft het Uwv het standpunt ingenomen dat de wettelijke grondslag van het bestreden besluit moet worden gewijzigd. Naar de opvatting van het Uwv is het gedrag van appellant er de oorzaak van geweest dat de arbeidsovereenkomst niet is verlengd. De WW-uitkering moet om die reden blijvend geheel worden geweigerd op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW, volgens welk artikel op de werknemer de verplichting rust te voorkomen dat hij werkloos is of blijft, doordat hij door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt. Het Uwv heeft verzocht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten nu aan de overtreding van voormeld artikel eveneens de maatregel van blijvende gehele weigering van de uitkering is verbonden.

5.2. Reeds gezien het feit dat het Uwv de grondslag van het bestreden besluit tot weigering van de WW-uitkering aan appellant niet langer handhaaft, komen de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

5.3. Het door het Uwv nader ingenomen standpunt, zoals hierboven beschreven, geeft de Raad aanleiding te bezien of aan het verzoek van het Uwv om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand te laten gevolg moet worden gegeven. In dat verband wordt het volgende overwogen.

5.4. Om aan artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW toepassing te kunnen geven, is vereist dat er duidelijkheid bestaat over de aard van het dienstverband en over de wijze waarop het dienstverband is beëindigd. Voorts is daarbij van belang dat vaststaat dat bij de werkgever de intentie bestond het dienstverband met appellant te verlengen. De Raad stelt vast dat zich onder de gedingstukken geen gegevens bevinden met betrekking tot de aard en de duur van de dienstbetrekking van appellant met Adecco, zodat niet kan worden vastgesteld of tussentijds of van rechtswege door het expireren van de overeengekomen termijn aan die arbeidsrelatie een einde is gekomen. Door een medewerker van Adecco is telefonisch aan een medewerker van het Uwv meegedeeld dat appellant nog voor een niet aan te geven periode maar wel geruime tijd zou kunnen blijven werken. De Raad stelt vast dat de strekking van die mededeling niet duidelijk is en hieruit in elk geval niet is op te maken wat de aard en duur van het dienstverband was. In het bijzonder blijkt niet of appellant langer bij de inlener Rabobank Nederland had kunnen blijven werken als hij zich anders had gedragen of dat Adecco als werkgever appellant bij een andere inlener tewerk gesteld zou hebben. De Raad heeft in de gedingstukken hierover geen nadere concretisering aantroffen en evenmin heeft het Uwv ter zitting helderheid kunnen verschaffen.

5.5. Gezien deze omstandigheden ziet de Raad geen aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

6. Het voorgaande brengt mee dat het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb moet worden veroordeeld in de proceskosten van appellant, bestaande uit de kosten van rechtsbijstand, te begroten op € 644,-- in beroep en € 322,-- in hoger beroep, in totaal derhalve € 966,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 966,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- (€ 38,-- en € 106,--) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 april 2008.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) P. Boer.

RH