Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1576

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-03-2008
Datum publicatie
15-05-2008
Zaaknummer
07/1752 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overschrijding termijn indienen bezwaar. In de telefoonnotitie van het Uwv ziet de Raad evenals de rechtbank geen aanwijzing dat appellant bezwaar wilde maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/1752 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 9 februari 2007, 06-5049 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 maart 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. A.M.J. Bouman, advocaat te Amsterdam.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door

mr. O. van der Kind, kantoorgenoot van mr. Bouman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Nederveen, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Bij besluit van 8 september 2005 heeft het Uwv het recht van appellant op uitkering krachtens de Werkloosheidswet herzien over de periode van 2 juli 2001 tot en met 2 januari 2005 op de grond dat appellant aan het Uwv niet heeft gemeld dat hij met ingang van 2 juli 2001 volledig als zelfstandige werkzaam is. Bij besluit van 28 oktober 2005 heeft het Uwv de over de genoemde periode onverschuldigd betaalde uitkering van appellant teruggevorderd.

Namens appellant heeft mr. J.A.J. Geurten, fiscaal jurist te Hilversum, op 8 december 2005 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 oktober 2005 en tijdens de hoorzitting op 5 april 2006 aangegeven dat het bezwaar zich ook richt tegen het besluit van 8 september 2005. Bij besluit van 7 april 2006 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 8 september 2005 niet-ontvankelijk verklaard omdat niet tijdig bezwaar is ingediend en niet is gebleken dat er bijzondere omstandigheden waren waardoor appellant niet in de gelegenheid was om tijdig een bezwaarschrift in te dienen. Het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit van 28 oktober 2005 is ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Voor zover het beroep is gericht tegen het onderdeel van het bestreden besluit, waarbij het bezwaar tegen het besluit van 8 september 2005 niet-ontvankelijk is verklaard, heeft de rechtbank in de uitspraak, waarin appellant als eiser is aangeduid en het Uwv als verweerder, het volgende overwogen:

“2.3 Ingevolge voornoemde wettelijke bepalingen is de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen het besluit van 8 september 2005 aangevangen op 9 september 2005, zodat 20 oktober 2005 de laatste dag was waarop tijdig een bezwaarschrift kon worden ingediend.

2.4 Eiser stelt zich ten eerste op het standpunt dat zijn toenmalige gemachtigde tegen het besluit van 8 september 2005 reeds op 20 oktober 2005, derhalve tijdig, mondeling bezwaar heeft gemaakt tijdens een telefoongesprek met mw. [naam mw.] van het Uwv.

2.5 De rechtbank volgt eiser hierin niet. Daargelaten de vraag of uit de telefoonnotitie van mw. [naam mw.] wel zou blijken dat telefonisch bezwaar is gemaakt, voldoet het telefonisch bezwaar maken niet aan het uit artikel 6:4, eerste lid, in samenhang met artikel 6:5, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) blijkende vereiste dat het maken van bezwaar schriftelijk dient te geschieden. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de situatie in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 december 2003 (JB 2004, 64) waarnaar eiser verwijst, niet op één lijn kan worden gesteld met de onderhavige situatie, nu in die uitspraak sprake was van loketbezoek door een verzekerde, terwijl het in de onderhavige situatie gaat om een telefoongesprek door de toenmalige juridisch adviseur van appellant, die behoort te weten op welke wijze tegen een besluit van het Uwv bezwaar dient te worden gemaakt.

2.6 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend. Op grond van artikel 6:11 Awb blijft ten aanzien van een na de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.7 Eiser stelt zich op het standpunt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, omdat de toenmalige gemachtigde van eiser aan uitlatingen van mw. [naam mw.] van het Uwv het vertrouwen mocht ontlenen dat het bezwaar tegen de beslissing van 8 september 2005 nog gemaakt kon worden na ontvangst van de terugvorderingsbeslissing.

2.8 Daargelaten de vraag of voornoemde mededeling daadwerkelijk is gedaan, kan het standpunt van eiser hem niet baten, nu de rechtbank in dat geval van oordeel is dat sprake is geweest van een miscommunicatie, als gevolg waarvan bij de toenmalige gemachtigde verwarring is ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat de toenmalige gemachtigde van eiser echter op de hoogte behoorde te zijn van de manier waarop en de termijn waarbinnen bezwaar dient te worden gemaakt tegen beslissingen van het Uwv. Bovendien bevatte het besluit van het Uwv een juiste rechtsmiddelenclausule. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van feiten of omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar doen zijn.

2.9 Verweerder heeft het bezwaar tegen het herzieningsbesluit van 8 september 2005 dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard, zodat dit besluit in rechte is komen vast te staan.”

3. In hoger beroep heeft appellant uitsluitend het oordeel van de rechtbank over de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen het besluit van 8 september 2005 bestreden. Appellant heeft zijn standpunt herhaald dat het telefoonrapport van 20 oktober 2005 van de medewerker van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als geschrift dient te worden aangemerkt, waarin het mondeling kenbaar gemaakte bezwaar tegen het besluit van 8 september 2005 is vastgelegd en dat hij in de gelegenheid had moeten worden gesteld om dat bezwaarschrift alsnog te ondertekenen. Volgens appellant biedt ook de in de aangevallen uitspraak genoemde uitspraak van de Raad van 9 december 2003 steun voor zijn stelling dat het telefoonrapport als bezwaarschrift moet worden aangemerkt. Indien niet aanvaard wordt dat tijdig bezwaar is gemaakt, stelt appellant zich op het standpunt dat door mevrouw [naam mw.] van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen uitlatingen zijn gedaan, waaraan hij het vertrouwen mocht ontlenen dat het bezwaar tegen het besluit van 8 september 2005 nog gemaakt kon worden na ontvangst van de terugvorderingsbeslissing, zodat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd, bevat een herhaling van de gronden die reeds in beroep zijn aangevoerd. De Raad onderschrijft de overwegingen en het oordeel van de rechtbank dienaangaande en maakt die tot de zijne. Daaraan voegt de Raad het volgende toe.

4.2. Vaststaat dat binnen de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn geen bezwaarschrift is ingediend tegen het besluit van 8 september 2005. In de door appellant genoemde telefoonnotitie van 20 oktober 2005 van mevrouw [naam mw.] van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ziet de Raad evenals de rechtbank geen aanwijzing dat de toenmalige gemachtigde van appellant heeft beoogd tijdens het op 20 oktober 2005 gevoerde telefoongesprek bezwaar te maken tegen het besluit van 8 september 2005. Daarbij komt dat het contact tussen de toenmalige gemachtigde van appellant en mevrouw [naam mw.] is gelegd om te komen tot een gesprek over mogelijke mediation.

4.3. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.B. de Gooijer.

BvW