Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1575

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
15-05-2008
Zaaknummer
07-976 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het opzetten van een website, waarop door haar en anderen onder meer negatieve uitlatingen over de werkgeefster werden gedaan. Ontbinding arbeidsovereenkomst. Weigering WW-uitkering: verwijtbaar werkloos.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/976 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 9 februari 2007, 06/1315 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 maart 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld. De gronden zijn bij brief van 3 april 2007 aangevuld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot [naam echtgenoot]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.H.M.A. Swarts, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Appellante is op 6 december 1994 in dienst getreden van (de rechtsvoorganger van) [naam werkgeefster] (hierna: de werkgeefster) en werkte laatstelijk in de functie van medewerkster schoonmaak. De werkgeefster voert een website onder de domeinnaam paletgroep.nl.

2.2. Bij brief van 12 oktober 2005 is appellante met onmiddellijke ingang op non-actief gesteld. Aanleiding daarvoor was het door appellante opzetten van de website met domeinnaam paletgroep.info, waarop door haar en anderen onder meer negatieve uitlatingen over de werkgeefster werden gedaan. Volgens de werkgeefster heeft appellante daarmee (opnieuw) voor veel onrust binnen de organisatie gezorgd en blijkt haar loyaliteit aan de werkgeefster en het respect voor collega’s ver te zoeken.

2.3. Bij beschikking van 13 december 2005 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgeefster voorwaardelijk ontbonden met ingang van 1 januari 2006, waarbij aan appellante een vergoeding ten laste van de werkgeefster is toegekend van € 15.000,-- bruto. De werkgeefster heeft het verzoek tot ontbinding niet ingetrokken.

2.4. Bij besluit van 23 februari 2006 heeft het Uwv de door appellante aangevraagde uitkering ingevolge de WW met ingang van 1 februari 2006 blijvend geheel geweigerd op de grond dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden. Dit besluit is, na bezwaar van appellante en nadat het Uwv nadere informatie bij de werkgeefster had ingewonnen, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 22 mei 2006. Volgens het Uwv had appellante, rekening houdend met hetgeen tussen haar en haar werkgeefster sinds 2002 was voorgevallen, redelijkerwijs moeten begrijpen dat het opzetten, gebruiken en onderhouden van de website - waarop bewust negatieve uitlatingen worden gedaan over de werkgeefster en die voorts verwarringsgevaar met de website van de werkgeefster oplevert - de beëindiging van de dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben.

3. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellante gezien de aanvaringen met haar werkgeefster in de daaraan voorafgaande jaren heeft kunnen en moeten begrijpen dat haar betrokkenheid bij de website, die op onrechtmatige wijze gebruik maakt van de handelsnaam van haar werkgeefster en een overwegend negatief karakter heeft, tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst kon leiden. Voor zover de uitlatingen op deze website afkomstig zijn van haar echtgenoot kunnen deze volgens de rechtbank, gelet op zijn nauwe betrokkenheid als haar gemachtigde in het arbeidsconflict en de omstandigheid dat appellante op geen enkele kenbare wijze daarvan afstand heeft genomen, aan appellante worden toegerekend.

4. In hoger beroep stelt appellante dat er geen onafhankelijke besluitvorming door de rechtbank heeft plaatsgevonden en zij wijst er daarbij op dat de aangevallen uitspraak en het proces-verbaal van de zitting niet door de rechter zijn ondertekend en dat de griffier die de aangevallen uitspraak heeft ondertekend niet de griffier is die bij de mondelinge behandeling ter zitting aanwezig is geweest. Volgens appellante is de rechtbank ten onrechte niet op al haar grieven, waaronder haar stelling dat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ingegaan. Verder stelt appellante dat zij niet op onrechtmatige wijze gebruik heeft gemaakt van de handelsnaam van haar werkgever, dat de domeinnaam niet op haar naam is geregistreerd en dat zij niet verantwoordelijk kan worden geacht voor daarop door haar echtgenoot gedane uitlatingen.

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1. De Raad ziet geen aanleiding om aan de onafhankelijke beoordeling door de rechtbank van het aan haar voorgelegde geschil te twijfelen. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank geheel in overeenstemming met de artikelen 8:11, 8:61, tweede tot en met zevende lid, 8:69, eerste lid, 8:77, eerste en derde lid, en 8:78 van de Awb gehandeld. In de aangevallen uitspraak is vermeld dat de uitspraak is gedaan door mr. Y. Huizing en derhalve door de rechter die de behandeling ter zitting heeft geleid. In het betoog van appellante ziet de Raad geen reden daaraan te twijfelen. Voorts is in de aangevallen uitspraak overeenkomstig artikel 8:77, derde lid, van de Awb vermeld dat de rechter verhinderd was de uitspraak te ondertekenen. Anders dan appellante kennelijk meent volgt uit voornoemde artikelen niet dat de griffier die bij de behandeling ter zitting aanwezig was de aangevallen uitspraak dient te ondertekenen. Hetgeen appellante overigens nog aan formele grieven heeft aangevoerd, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

5.2. Naar het oordeel van de Raad is de rechtbank, die niet gehouden is op alle aangevoerde argumenten in te gaan, voldoende ingegaan op de grieven van appellante die relevant zijn voor de beoordeling van het aan haar voorgelegde geschil. De Raad is, met de rechtbank, van oordeel dat de gedingstukken voldoende steun bieden voor het standpunt van het Uwv dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder a, van de WW en dat het Uwv de WW-uitkering terecht en op goede gronden blijvend geheel heeft geweigerd. De Raad stelt zich achter de overwegingen die de rechtbank aan haar beoordeling ten grondslag heeft gelegd, behoudens voor zover daarin is opgenomen dat appellante op onrechtmatige wijze gebruik heeft gemaakt van de handelsnaam van haar werkgeefster. Wel heeft appellante naar het oordeel van de Raad onrechtmatig jegens haar werkgeefster gehandeld door gebruik te maken van een domeinnaam die, vanwege de gelijkenis met de domeinnaam waaronder de werkgeefster een website voert en de inhoud van de website, waarin onvoldoende duidelijk is gemaakt dat deze niet van de werkgeefster afkomstig is, verwarringsgevaar oplevert. In dit verband verwijst de Raad naar het arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 8 november 2006, LJN AZ2039, gewezen in een geding tussen appellante en werkgeefster, waartegen appellante, volgens haar verklaring ter zitting, geen beroep in cassatie heeft ingesteld.

5.3. Het voorgaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. Nu het hoger beroep niet slaagt is er voor een veroordeling tot schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb geen plaats.

7. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en T. Hoogenboom en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) K. Moaddine.

RH