Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1572

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
15-05-2008
Zaaknummer
07-955 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering: verwijtbaar werkloos. Tegenstrijdige verklaringen en ontbreken van terzake relevante gegevens: nader onderzoek naar het te laat komen door appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/955 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 11 januari 2007, 06/1711 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 maart 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. E. Schriemer, advocaat te Zwolle. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. van Leeuwen, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant is op 4 april 2005 in dienst getreden bij Alerto Bewaking en Detachering te Apeldoorn op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 4 april 2006. Op 11 mei 2005 heeft appellant een officiële waarschuwing gekregen wegens het niet tijdig op de werkplek aanwezig zijn op 3, 6 en 10 mei 2005. Daarbij is vermeld dat van appellant verwacht wordt dat hij vijftien minuten voor de aanvang van zijn dienst op de werkplek arriveert. Het dienstverband met appellant is op 9 oktober 2005 beëindigd om een volgens zijn werkgever bij appellant bekende reden.

2.2. Met ingang van 11 oktober 2005 is appellant in dienst getreden bij Alerto Uitzendorganisatie te Apeldoorn, door wie hij ter beschikking werd gesteld aan Vigilat Beveiliging B.V.. Per 14 oktober 2005 is de inlening beëindigd en kwam een einde aan de uitzendovereenkomst.

2.3. Appellant heeft vervolgens een uitkering ingevolge de WW aangevraagd. Bij besluit van 14 februari 2006 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat de uitkering met ingang van 17 oktober 2005 blijvend geheel wordt geweigerd op de grond dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden omdat hij gemaakte afspraken met Alerto niet is nagekomen. Het tegen dit besluit door appellant gemaakte bezwaar heeft het Uwv, na op 13 juni 2006 telefonisch nadere informatie te hebben ingewonnen bij de voormalige werkgevers van appellant, bij het bestreden besluit van 13 juni 2006 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit wegens strijd met artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd. De rechtbank heeft aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant tijdens de beroepsprocedure voldoende gelegenheid gehad om alsnog op de telefoonnotitie van 11 oktober 2006 (bedoeld is: 13 juni 2006) te reageren en is het Uwv terecht tot de conclusie gekomen dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat ten aanzien van appellant sprake is van verwijtbare werkloosheid. Volgens hem lijdt het bestreden besluit aan een motiverings- dan wel een voorbereidingsgebrek. Daaromtrent overweegt de Raad dat ingevolge artikel 3:2 van de Awb het Uwv bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis moet vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. De Raad wijst er op dat de wetgeving, die het opleggen van een maatregel bij schending door de werknemer van een verplichting ingevolge artikel 24 van de WW in beginsel verplicht stelt, alsook de verstrekkende gevolgen van het opleggen van een maatregel als hier aan de orde, tot een bijzonder deugdelijk en zorgvuldig onderzoek noopt ter vaststelling van de relevante feiten en omstandigheden.

4.2. De Raad constateert dat het Uwv zich bij het bestreden besluit gebaseerd heeft op de verklaringen van de werkgevers dat appellant ook na de waarschuwing van 11 mei 2005 te laat bleef komen, dat aan hem een laatste kans is geboden door hem per 11 oktober 2005 bij Alerto Uitzendorganisatie in dienst te laten treden en dat appellant is ontslagen omdat hij binnen twee weken wederom te laat op zijn werk kwam. Appellant heeft de stellingen van zijn voormalige werkgevers gemotiveerd bestreden. Volgens hem is hij na de waarschuwing van 11 mei 2005 niet meer te laat op zijn werk verschenen. Hij stelt dat hij in het laatste dienstverband eenmaal bijna te laat is gekomen en dat de werkgever daarop gereageerd heeft met de mededeling dat hij door het oog van de naald was gekropen.

4.3. Naar het oordeel van de Raad had het Uwv, gezien deze tegenstrijdige verklaringen en bij het ontbreken van terzake relevante gegevens, nader onderzoek dienen te verrichten naar het veronderstelde te laat komen door appellant. Daarbij had volgens de Raad in ieder geval moeten worden onderzocht of appellant na 11 mei 2005 nog te laat op zijn werk is verschenen en, zo ja, wanneer, hoeveel en onder welke omstandigheden hij te laat is gekomen. Voor zover het Uwv appellant verwijt dat hij niet tenminste vijftien minuten voor aanvang van zijn werktijd aanwezig was zal het Uwv nader moeten onderzoeken waarop deze verplichting berust. De Raad merkt hierbij op dat een dergelijke verplichting, anders dan het Uwv bij het bestreden besluit heeft aangenomen, niet in de arbeidsovereenkomst is opgenomen.

4.4. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb tot stand is gekomen. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, waarbij de rechtsgevolgen van dit besluit in stand zijn gelaten, dient te worden vernietigd. Het Uwv zal, met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen, opnieuw op het bezwaar van appellant dienen te beslissen.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.288,-- voor verleende rechtsbijstand en op € 30,24 aan reiskosten gemaakt door appellant, derhalve in totaal op € 1.318,24. Met betrekking tot de door de gemachtigde van appellant opgevoerde reiskosten merkt de Raad op dat reiskosten voor een gemachtigde zijn inbegrepen in de vergoeding voor rechtsbijstand en mitsdien niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Draagt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op om met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.318,24, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 143,-- (€ 38,-- en € 105,--) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en T. Hoogenboom en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) K. Moaddine.

RH