Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1569

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-05-2008
Datum publicatie
15-05-2008
Zaaknummer
06-6298 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand: niet binnen de geboden hersteltermijn de gevraagde gegevens verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6298 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 22 september 2006, 06/528 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk, (hierna: College)

Datum uitspraak: 13 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2008. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door S. van der Meulen, werkzaam bij de gemeente Oisterwijk.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant bewoont op de camping [naam camping] een caravan die zijn moeder blijkens de stukken daartoe in oktober 1991 heeft gekocht. Appellant en zijn moeder hebben verklaard dat de lasten die op de caravan drukken, zoals onder meer staangeld en energiekosten, voor rekening van appellant komen.

Appellant ontving bijstand naar de norm voor een alleenstaande. In verband met de omzetting van de bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet naar die ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) is appellant uitgenodigd voor een gesprek op 17 mei 2005. Hem is verzocht bij die gelegenheid een aantal stukken over te leggen.

Bij besluit van 2 juni 2005 heeft het College het recht op bijstand met ingang van 1 juni 2005 opgeschort op de grond dat appellant niet alle gevraagde gegevens heeft overgelegd. Appellant is de gelegenheid geboden om op 28 juni 2005 gegevens over te leggen betreffende de betaling van huur, gas, water en licht. Nadat appellant zonder bericht van verhindering op 28 juni 2005 niet was verschenen, is hij bij besluiten van 30 juni 2005 en 14 juli 2005, bij welke besluiten de opschorting van het recht op bijstand per 1 juni 2005 werd gehandhaafd, nogmaals uitgenodigd om de gevraagde gegevens over te leggen, en wel op 7 juli 2005 respectievelijk 21 juli 2005.

Bij besluit van 22 juli 2005, zoals gecorrigeerd bij brief van 27 juli 2005, heeft het College met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 juni 2005 ingetrokken op de grond dat appellant niet binnen de geboden hersteltermijn de gevraagde gegevens die nodig zijn om het recht op bijstand vast te stellen, heeft verstrekt.

Bij besluit van 19 december 2005, voor zover nog van belang, is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 juli 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant, gericht tegen de handhaving van de intrekking van de bijstand per 1 juni 2005, ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 54, eerste lid, van de WWB bepaalt dat, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het college het recht op bijstand kan opschorten:

a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of

b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.

Artikel 54, tweede lid, van de WWB bepaalt dat het college de belanghebbende mededeling doet van de opschorting en hem uitnodigt binnen een door het college te stellen termijn het verzuim te herstellen.

Ingevolge artikel 54, vierde lid, van de WWB kan het college, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort, intrekken.

Het besluit tot opschorting van de bijstand van appellant staat in rechte vast, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand met ingang van 1 juni 2005 op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB in rechte stand kan houden.

Bij de beantwoording van de vraag of het College op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd was tot intrekking van de aan appellant verleende bijstand, staat ter beoordeling of appellant heeft verzuimd binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of appellant hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover appellant niet binnen de hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

Vaststaat dat appellant de door het College bij het besluit van 2 juni 2005 verlangde gegevens niet binnen de daarbij gegeven hersteltermijn en evenmin tijdens de verlenging daarvan heeft verstrekt.

Naar het oordeel van de Raad kan appellant daarvan een verwijt worden gemaakt. De door het College bij het besluit van 2 juni 2005 aan appellant gevraagde gegevens zijn naar het oordeel van de Raad gegevens die van belang zijn voor de verlening van bijstand. Appellant heeft dat ook niet betwist. Voorts is de Raad van oordeel dat appellant binnen de hersteltermijn redelijkerwijs over de meerbedoelde gegevens heeft kunnen beschikken. Appellant is in een eerder stadium verzocht de huur van de caravan per bank over te maken en hem is bij de besluiten van 22 oktober 2001 en 14 oktober 2002 de verplichting opgelegd gegevens omtrent de huur van de caravan over te leggen. De gevolgen van het feit dat appellant de huur en andere woonlasten niettemin niet per bank is gaan betalen, waardoor hij ten tijde in dit geding van belang niet in staat was ter zake objectieve, verifieerbare gegevens over te leggen, moeten voor zijn risico worden gelaten. Het beroep dat appellant in dit verband op het vertrouwensbeginsel heeft gedaan, faalt. Aan het feit dat het College na de besluiten van 22 oktober 2001 en 14 oktober 2002 de bijstandsverlening aan appellant heeft gecontinueerd, kon appellant niet de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat hij niet behoefde te zorgen voor objectieve en verifieerbare gegevens omtrent de betalingen van huur, gas, water en elektriciteit. Van afspraken ter zake is geen sprake, hooguit van “gedogen”.

Uit het voorgaande volgt dat aan de in artikel 54, vierde lid, van de WWB gestelde toepassingsvoorwaarden is voldaan. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking van het recht op bijstand met ingang van 1 juni 2005 gebruik heeft kunnen maken.

Hetgeen appellant overigens nog in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Bagga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2008.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) S.R. Bagga.

OA