Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1558

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2008
Datum publicatie
20-05-2008
Zaaknummer
05-4525 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Medische grondslag voldoende?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4525 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 8 juli 2005, 04/846 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 26 maart 2008, waar partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant heeft zich per 25 oktober 2001 ziek gemeld voor zijn werk als kippenslachter vanwege rug-, nek- en schouderklachten alsmede spanningsklachten en depressieve klachten in verband met zijn echtscheiding. In aansluiting op de wachttijd van 52 weken is aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op 18 december 2003 is appellant onderzocht door de arts H. Talman, die tot de conclusie is gekomen dat geen sprake meer is van arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte of gebrek. Het Uwv heeft bij besluit van 23 december 2003 de WAO-uitkering van appellant per 19 februari 2004 ingetrokken. In de bezwaarfase heeft bezwaarverzekeringsarts L.J. Zwemer op 1 juli 2004 rapport uitgebracht met daarin de conclusie dat er geen verzekeringsgeneeskundige argumenten zijn om af te wijken van het primaire oordeel. Bij het besluit van 6 juli 2004 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 december 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen reden gevonden om te twijfelen aan de juistheid aan het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsartsen. In het rapport van psycholoog B.N.V. Hoogeveen van 11 juni 2002, noch de rapportage van medisch adviseur D.J. Schakel van 1 juni 2004 heeft de rechtbank steun gevonden voor een andersluidend oordeel. Het rapport van psycholoog Hoogeveen ziet niet op 19 februari 2004, de datum hier in geding, terwijl medisch adviseur Schakel in zijn rapportage heeft aangegeven dat er geen medische argumenten waren om het bezwaar te ondersteunen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts in voldoende mate blijkt dat de door appellant gestelde gebrekkige kennis van de Nederlandse taal geen dan wel nagenoeg geen beletsel heeft gevormd om tot een oordeel te komen.

In hoger beroep heeft appellant zich onveranderd op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit onjuist is. Hij kan zich niet verenigen met de overweging van de rechtbank dat de door hem overgelegde medische informatie geen toegevoegde waarde zou hebben. Uit die informatie blijken de psychische klachten van appellant en blijkt tevens dat de communicatie met de verzekeringsartsen moeizaam is verlopen, zodat getwijfeld moet worden aan de status van de uitkomst van die onderzoeken.

De Raad overweegt het volgende.

De verzekeringsarts heeft gerapporteerd dat appellant tijdens het onderzoek op 18 december 2003 kenbaar heeft gemaakt dat hij incidenteel nog wat last heeft van zijn rug, hetgeen echter voor hem geen beletsel vormde om weer te gaan werken. Een behandeling door een psychiater achtte appellant niet meer nodig omdat hij geen klachten meer had. Daarbij heeft appellant kenbaar gemaakt dat hij zich weer geschikt achtte voor zijn eigen werk en hij weer op zoek zou gaan naar werk in de kippenbranche. Na lichamelijk onderzoek en onderzoek van de psyche heeft de verzekeringsarts het standpunt van appellant onderschreven. Gerapporteerd is dat appellant een volledig gezonde en evenwichtige indruk maakt. Tijdens de hoorzitting op 9 juni 2004 heeft appellant verklaard dat hij vanaf 23 februari 2004 als uitzendkracht werkzaam is in een kippenslachterij en dat, hoewel het werken zeer moeizaam gaat, hij zich nog niet heeft ziek gemeld. Medisch adviseur Schakel heeft appellant op 13 april 2004 onderzocht en is daarbij tot de conclusie gekomen dat er geen medische argumenten zijn om het bezwaar van appellant te kunnen onderbouwen. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant dergelijke argumenten tijdens de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep evenmin aangedragen. De gedingstukken bevatten geen medische gegevens die erop wijzen dat appellant op de datum hier in geding niet in staat was om zijn werkzaamheden in een kippenslachterij te verrichten.

De Raad is niet gebleken dat de verzekeringsarts zonder de hulp van een tolk geen zorgvuldig onderzoek heeft kunnen verrichten. In dat verband merkt de Raad op dat de rapportage van de verzekeringsarts informatie bevat die alleen van appellant afkomstig kan zijn, zodat ook zonder de hulp van een tolk communicatie kennelijk mogelijk is geweest. Bovendien zijn er geen aanwijzingen, mede gelet op de rapportage van medisch adviseur Schakel en het verslag van de hoorzitting, dat de verzekeringsarts door de afwezigheid van een tolk zich een onjuist of onvolledig beeld heeft gevormd over de gezondheidstoestand van appellant.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2008.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) E. de Bree.

JL