Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1556

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
15-05-2008
Zaaknummer
07-1354 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging herleving WW-uitkering voor 20 uur per week: verwijtbaar werkloos.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/1354 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 19 januari 2007, 06/2645 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 maart 2008.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2008. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Aan appellant is met ingang van 1 juli 2003 een WW-uitkering toegekend, gebaseerd op een arbeidspatroon van 30 uur per week. Met ingang van 7 april 2004 is appellant op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van drie maanden voor 20 uur per week als medewerker fastfood gaan werken bij [naam werkgever] (hierna: werkgever). Bij brief van 26 mei 2004 heeft de werkgever aan appellant medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang wordt opgezegd.

2.2. Bij besluit van 7 juli 2004 heeft het Uwv de herleefde WW-uitkering van appellant met ingang van 17 mei 2004 voor 20 uur per week beëindigd op de grond dat appellant verwijtbaar werkloos is, omdat hij passend werk voor 20 uur per week door eigen toedoen weer is kwijtgeraakt. Bij besluit van 7 juni 2005 heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Daarbij is vermeld dat aan appellant ontslag tijdens de proeftijd is gegeven, omdat hij een verschil van mening had met zijn werkgever over de inhouding van de loonheffing, waardoor er te weinig nettoloon zou zijn betaald. Bij uitspraak van 22 maart 2006 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 7 juni 2005 vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar diende te nemen.

Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het Uwv bij besluit van 19 mei 2006 (het bestreden besluit) opnieuw op het bezwaar van appellant beslist, en dit wederom ongegrond verklaard. Volgens het Uwv is uit een verklaring van de werkgever van

19 april 2006 gebleken dat het probleem voor appellant betrekking had op het bruto-netto traject en met name het nettoloon. Appellant had bij de werkgever kunnen blijven werken als hij niet méér nettoloon zou hebben geëist. Het Uwv houdt daarom vast aan het standpunt dat appellant door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat op grond van de huidige onderzoeksbevindingen, in onderlinge samenhang bezien, voldoende aannemelijk is dat er tussen appellant en zijn werkgever een meningsverschil is ontstaan over het bruto-nettoloontraject, dat zo hoog is opgelopen dat dit uiteindelijk heeft geresulteerd in het ontslag van appellant en dat appellant zonder dit incident zijn baan had kunnen behouden. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn stelling dat er geen sprake is geweest van een discussie over de loonheffing, waarmee bedoeld wordt de heffingskorting, nu hij eerder zelf anders heeft verklaard. Evenmin heeft de rechtbank appellant gevolgd in zijn stelling dat de werkgever een reden heeft gezocht voor zijn ontslag, omdat de werkgever geen belang heeft bij de WW-uitkering van appellant. De rechtbank heeft mitsdien geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant door eigen toedoen geen passend werk heeft behouden en dat hij daarmee de op hem rustende verplichting, neergelegd in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW niet is nagekomen.

4. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hem geen verwijt valt te maken, omdat de werkgever hem zonder opgaaf van redenen tijdens de proeftijd mocht ontslaan. Voorts blijkt volgens appellant niet dat het ontslag het gevolg is van een geschil met zijn werkgever over de heffingskorting. In dat verband heeft hij gesteld dat het onderzoek door het Uwv niet zorgvuldig is geweest en dat hij niet in de gelegenheid is gesteld te reageren op de telefoonnotities van het Uwv van gesprekken met zijn werkgever.

5.1. In dit geding de vraag te worden beantwoord of de rechtbank dient te worden gevolgd in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en hij overweegt daartoe als volgt.

5.2. Uit de voorhanden gedingstukken blijkt dat het Uwv op 18 juni 2004, op 6 juli 2004 en op 19 april 2006 informatie bij de werkgever heeft ingewonnen. Deze heeft meegedeeld dat appellant niet tevreden was over het zogenoemde bruto- en nettotraject en de inhouding van de heffingskorting. Het hierover ontstane geschil was voor de werkgever aanleiding geweest de arbeidsovereenkomst met appellant voor het einde van de proeftijd te beëindigen.

Hoewel appellant in de gelegenheid is geweest inhoudelijk op deze verklaringen te reageren, heeft hij uitsluitend volstaan met de stelling dat het onderzoek van het Uwv bij de werkgever onzorgvuldig is geweest, maar heeft hij geen andersluidende gegevens of verklaringen in geding gebracht. Het standpunt van appellant dat het bestreden besluit niet op zorgvuldige wijze tot stand zou zijn gekomen, wordt door de Raad dan ook niet onderschreven. Bovendien heeft ook appellant, blijkens het verslag van de hoorzitting in de bezwaarschriftfase, zelf aangegeven dat een verschil van mening met zijn werkgever bestond over de hoogte van het bruto- en nettoloon en de toepassing van de heffingskorting. De Raad vermag derhalve niet in te zien dat het appellant onduidelijk is geweest, waarom de werkgever de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Anders dan appellant ter zitting van de Raad heeft betoogd, acht de Raad niet aannemelijk dat aan het einde van de proeftijd een evaluatiegesprek met de werkgever heeft plaatsgevonden, waarbij uitsluitend zou zijn gesproken over de hoogte van het loon bij een eventuele verlenging van de arbeidsovereenkomst, niet alleen niet omdat de dienstbetrekking is beëindigd ruimschoots voordat de proeftijd was verstreken, maar ook omdat deze lezing van appellant geen bevestiging vindt in de gedingstukken. Mitsdien heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden.

5.3. Op grond van het vorenstaande komt de Raad dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en T. Hoogenboom en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) K. Moaddine.

RH