Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1552

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-05-2008
Datum publicatie
20-05-2008
Zaaknummer
06-3993 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Geschikt voor eigen werk als kippenslachter. Objectieve afwijkingen die pijnklachten kunnen verklaren?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3993 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 30 juni 2006, 05/1615 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 26 maart 2008, waar partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was als uitzendkracht werkzaam in een kippenslachterij toen hij zich per 27 januari 2005 ziek meldde in verband met rugklachten en pijn in zijn rechterbeen en -voet. Aan appellant is een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. De verzekeringsarts, die informatie heeft ingewonnen bij de behandelend fysiotherapeut en bij appellants huisarts, heeft appellant laatstelijk op het spreekuur van 12 juli 2005 onderzocht. De verzekeringsarts is tot de conclusie gekomen dat, gelet op de uitslag van het röntgenonderzoek, de resultaten van de fysiotherapeutische behandeling en de waarneming dat appellant zich soepel kan bewegen, er geen objectieve afwijkingen zijn ter verklaring van het heftig pijngedrag van appellant. Appellant werd weer in staat geacht zijn eigen werk te verrichten.

Bij besluit van 12 juli 2005 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij met ingang van 13 juli 2005 geen recht meer had op ziekengeld ingevolge de ZW omdat hij toen niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid. In bezwaar heeft appellant medische stukken die zijn opgemaakt tijdens zijn opname in een ziekenhuis in Turkije overgelegd. Bij besluit van 21 oktober 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv na een heroverweging door een bezwaarverzekeringsarts het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe overwoog de rechtbank dat gelet op de beschikbare medische gegevens, waarvan met name de röntgenuitslag en de brief van appellants huisarts van 14 juni 2005, er voldoende termen zijn om de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts te onderschrijven en dat op de datum in geding, 13 juli 2005, er op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten geen sprake meer was van het niet kunnen of mogen verrichten van de werkzaamheden als kippenslachter.

In hoger beroep heeft appellant volgehouden dat hij op de datum in geding ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Ter onderbouwing heeft appellant een beroep gedaan op het medisch journaal van zijn huisarts en aangekondigd dat zijn medisch adviseur met een advies zal komen. Voorts heeft appellant aangevoerd dat een duidelijke functieomschrijving ontbreekt en dat het Uwv zijn klachten niet nauwkeurig heeft getoetst aan het gevarieerde werk dat hij verrichtte.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Het medisch journaal van appellants huisarts van 19 juni 2006 vermeldt dat bij het röntgenonderzoek van de lumbale wervelkolom op 9 mei 2005 geen bijzonderheden zijn aangetoond en dat ongetwijfeld sprake is van myogene klachten. Dit journaal bevat geen gegevens ter ondersteuning van het standpunt van appellant, zoals aangegeven tijdens het onderzoek op 12 juli 2005 en tijdens de hoorzitting op 15 september 2005, dat hij vanwege voetklachten niet in staat is te werken. De overige gegevens in dit journaal inzake buikklachten die op 5 september 2005 zijn ontstaan, en de uit Turkije afkomstige medische gegevens, waaruit zou blijken dat bij een routinecheck in augustus 2005 een leververgroting is aangetoond, betreffen de gezondheidstoestand van appellant ruimschoots na de datum hier in geding. De medisch adviseur heeft, hoewel aangekondigd, kennelijk geen advies uitgebracht ter ondersteuning van het standpunt van appellant.

De Raad is niet gebleken dat de (bezwaar)verzekeringsartsen de aard en belasting van de maatgevende arbeid hebben onderschat. De medische kaart vermeldt dat het werk deels bestaat uit het ophangen van kippen en voor het overige uit zwaardere magazijnwerkzaamheden. Daarmee komt overeen de opgave van appellant tijdens de hoorzitting van zijn taken en de daaruit vloeiende belasting. De gedingstukken bevatten geen aanwijzingen dat het verrichten van deze arbeid leidt tot extreme rugbelasting, waartoe appellant, zoals vermeld in het primaire besluit van 12 juli 2005, niet in staat wordt geacht.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2008.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) E. de Bree.

JL