Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1540

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-04-2008
Datum publicatie
20-05-2008
Zaaknummer
06/869 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is korting op WAO-uitkering in verband met inkomsten uit hennepkwekerij terecht? Terugvordering. Motivering voldoende?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:77, geldigheid: 2008-04-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/869 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 27 december 2005, 05/865 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 mei 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2008. Appellant is in persoon verschenen en het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.L. Geritsen.

II. OVERWEGINGEN

Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreidere weergave van de feiten en omstandigheden die in dit geding van belang zijn, volstaat de Raad met het volgende.

Bij besluit van 4 mei 2005 (bestreden besluit), heeft het Uwv zijn besluiten van 22 februari 2005 gehandhaafd en de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, over de periode van 1 januari 2004 tot en met 2 juni 2004 met toepassing van artikel 44 van de WAO niet uitbetaald en een bedrag van € 7579,76 wegens over de voornoemde periode onverschuldigd betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering teruggevorderd.

De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld.

De Raad overweegt als volgt.

Het bestreden besluit van 4 mei 2005 berust op het standpunt van het Uwv dat appellant van 1 januari 2004 tot en met 2 juni 2004 werkzaam is geweest en inkomsten uit arbeid heeft genoten.

Dit standpunt van het Uwv is gebaseerd op het rapport werknemersfraude van 7 oktober 2004.

In dat rapport is, onder meer, de volgende passage opgenomen:

“Periode waarin de hennepkwekerij tenminste in gebruik was

Op pagina 3 van het proces-verbaal van de politie Oldebroek wordt vermeld dat de koolstoffilters, welke aan het plafond bevestigd waren, bedekt waren met een laag grijs stof. (..)

Uit de aanwezigheid van het stof op de koolstoffilters kan in ieder geval worden opgemaakt dat de hennepkwekerij al één eerdere oogst heeft opgeleverd. Uit het proces-verbaal bleek verder dat er mag worden uitgegaan van vier oogsten per jaar.

De aangetroffen planten waren nagenoeg oogstrijp. Er is derhalve ten minste één oogst vooraf gegaan aan deze kweek gezien de aangetroffen situatie.”.

Appellant heeft in hoger beroep het arrest in de ontnemingszaak van het Gerechtshof te Arnhem, gedateerd 21 september 2006, ingebracht. Het Hof heeft het volgende overwogen:

“In het dossier bevindt zich een voordeelsrapportage betreffende de in de loods aan de [adres] aangetroffen hennepkwekerij. In deze rapportage wordt ervan uit gegaan dat deze kwekerij een eerdere oogst heeft opgeleverd. Deze aanname wordt slechts gebaseerd op de vervuiling van het koolstoffilter, aangetroffen in de hennepkwekerij. Nu er geen andere omstandigheden zijn aangegeven die erop wijzen dat sprake is geweest van een eerdere oogst, staat niet vast dat er een eerdere oogst heeft plaatsgevonden, waarvan de opbrengst is verkocht. Derhalve is niet gebleken dat veroordeelde ooit voordeel heeft genoten uit de aangetroffen hennepkwekerij.”.

De Raad overweegt dat het Uwv aan het thans bestreden besluit ter onderbouwing van de aanwezigheid en de omvang van de verdiensten van appellant geen andere feiten of omstandigheden ten grondslag heeft gelegd dan dat uit de geconstateerde aanwezigheid van stof op het koolstoffilter in de hennepkwekerij volgt dat een eerdere oogst heeft plaatsgevonden.

De Raad is van oordeel, mede gelet op het vorengenoemde arrest van het Gerechtshof te Arnhem, dat het Uwv hiermee onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellant in de periode van 1 januari 2004 tot en met 2 juni 2004 inkomsten heeft genoten uit de hennepkwekerij.

Naar het oordeel van de Raad is, gelet op het bovenstaande, het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorbereid en mist het een draagkrachtige motivering als vereist door artikel 7:12 van de Awb.

Op grond van het voorgaande zullen de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit worden vernietigd. Het Uwv zal worden opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

De Raad wijst er overigens op dat, zoals hij reeds heeft overwogen in zijn uitspraak van 27 september 2005, 02/4674 WAO, 04/3838 WAO, LJN: AU3702, de uitspraak van een enkelvoudige kamer wordt gedaan en ondertekend door de rechter die de behandeling ter zitting heeft geleid. Derhalve dient uit het proces-verbaal van de zitting te blijken welke rechter de zitting heeft geleid, zodat zonder nader onderzoek – in dit geval heeft vergelijking van de handtekeningen geplaatst onder het proces-verbaal en de uitspraak moeten plaatsvinden – kan worden vastgesteld dat aan voormelde eis is voldaan.

De Raad acht geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb een proceskostenveroordeling uit te spreken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,= vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 april 2008.

(get.) J. Brand.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

JL