Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1511

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
15-05-2008
Zaaknummer
07-3335 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/3335 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om herziening van:

[Verzoeker] (hierna: verzoeker),

van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 april 2007, 06/3091 WW,

in het geding in hoger beroep tussen:

verzoeker

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 april 2008.

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 18 april 2007, 06/3091 WW.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 2 september 2007 heeft verzoeker de Raad nadere stukken doen toekomen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 12 maart 2008. Verzoeker is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J.M.A. Clerx, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of van de zijde van verzoeker gronden zijn aangevoerd die tot herziening van de uitspraak van de Raad van 18 april 2007, 06/3091 WW kunnen leiden.

2. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en heeft daartoe het volgende overwogen.

2.1. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet, in samenhang met artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad, op verzoek van een partij, worden herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en relijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.2. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 3 oktober 2003, LJN AN7982, is het -bijzondere- rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid, als hierboven bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.

2.3. Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift -kort samengevat- aangevoerd dat uit het dossier “ernstige informatie” naar boven is gekomen die tot een andere uitspraak zou hebben geleid indien deze door de Raad zou zijn meegenomen. Verzoeker heeft daartoe onder meer stukken overgelegd die hij bij de zitting van de Raad op 7 maart 2007 had willen overleggen, maar waartoe hij toen niet in de gelegenheid is gesteld. Voorts heeft verzoeker ook de passendheid van de arbeid ter discussie gesteld. Verzoeker heeft verder aangevoerd dat het besluit van het Uwv in strijd is met de artikelen 6 tot en met 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en met artikel 137, eerste lid, sub d, van het EU-Verdrag van Nice. Ten slotte heeft verzoeker aangevoerd dat de Raad het besluit op bezwaar van 17 november 2005 ten onrechte niet op doelmatigheid heeft getoetst en het dossier onvoldoende heeft onderzocht.

2.4. De Raad is van oordeel dat noch uit het verzoekschrift, noch uit hetgeen verzoeker ter zitting van de Raad heeft aangevoerd, is gebleken van feiten en omstandigheden als in 2.1. bedoeld. De door verzoeker naar voren gebrachte argumenten hadden ook reeds in de procedure welke heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 18 april 2007 ter sprake kunnen komen en meegewogen kunnen worden in de beoordeling. Hetgeen door verzoeker is aangevoerd kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden.

3. Op grond van het vorenstaande komt de Raad dan ook tot de conclusie dat het verzoek om herziening dient te worden afgewezen.

4. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 april 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.

RH