Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BD1496

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-04-2008
Datum publicatie
14-05-2008
Zaaknummer
06-4578 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Betrokkene met inachtneming van de door de (bezwaar)verzekeringsartsen aangenomen beperkingen geschikt voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/4578 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 juni 2006, 05/6214 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft P.J. Hagemeijer, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben over en weer nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2008. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de aangevallen uitspraak heeft weergegeven.

Bij besluit van 6 januari 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, met ingang van 1 maart 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Het Uwv heeft bij besluit van 27 juli 2005 het door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellante weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat appellante met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.

De Raad kan de rechtbank volgen in haar oordeel dat op grond van de stukken kan worden aangenomen dat de (bezwaar)verzekeringsartsen bij appellante niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. De Raad neemt in aanmerking dat de verzekeringsartsen op de hoogte waren van appellantes vermoeidheidsklachten en met deze klachten ook rekening gehouden hebben door het aannemen van vooral energetische beperkingen bij het vaststellen van de functionele mogelijkheden van appellante

De Raad kan appellante niet volgen in haar standpunt dat er te weinig rekening is gehouden met het bij haar vastgestelde hormoontekort die volgens haar een medisch objectiveerbare verklaring biedt voor haar vermoeidheidsklachten en waardoor zij op de datum in geding feitelijk nauwelijks in staat was activiteiten te verrichten. De Raad neemt daarbij in overweging dat appellantes huisarts in zijn schrijven van 11 oktober 2005 aangegeven heeft dat de hormoonmedicatie niet gegeven wordt op basis van een bewezen hormoontekort of een aangetoonde ziekte, maar omdat van dit middel bekend is dat het tot verbetering van klachten kan leiden in situaties waarin geen andere therapie mogelijk is.

Uit het vorengemelde vloeit voort dat de Raad van oordeel is dat appellante met inachtneming van de door de (bezwaar)verzekeringsartsen aangenomen beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.

Het hoger beroep slaagt niet.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 april 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) T.R.H. van Roekel.

TM